De economische gevolgen van de Dienstenrichtlijn in België: een verkenning

Studie uitgevoerd in samenwerking met het Federaal Planbureau

De Nationale Bank van België (NBB) en het Federaal Planbureau (FPB) publiceren een studie naar de potentiële gevolgen van de omzetting van de Europese Dienstenrichtlijn op de Belgische economie. De studie omvat een evaluatie van de gevolgen van de richtlijn op macro-economisch niveau en een analyse op het niveau van de bedrijfstakken die onder haar werkingssfeer vallen. De grootste daarvan zijn de bouw, de groot- en detailhandel en de zakelijke dienstverlening. De voornaamste resultaten zijn de volgende:

  1. De invoering van de richtlijn kan leiden tot een aanzienlijke groei van de export van de onder haar werkingssfeer vallende bedrijfstakken. Dat geldt in het bijzonder voor branches waar grensoverschrijdende dienstverlening mogelijk is, zoals de vastgoedsector, de bouw, de verhuur, de automatisering en de zakelijke dienstverlening.
  2. Omdat de export maar een relatief klein aandeel binnen de activiteit van die bedrijfstakken heeft, zal het effect op de omzet relatief klein zijn. Ook wordt geen groot effect op de import van diensten en de buitenlandse investeringen verwacht. Daarbij geldt overigens dat er in België al relatief weinig belemmeringen op de toegang van buitenlandse dienstverleners zijn.
  3. Op macro-economisch niveau wordt een positief effect op het BBP van tussen 0,5 en 1,0% verwacht, alsmede ongeveer 6.000 tot 9.000 nieuwe arbeidsplaatsen.
  4. Een nadere analyse van de groot- en detailhandel ondersteunt de verwachting dat de maatregelen van de richtlijn ook gunstige gevolgen voor de binnenlandse concurrentie en productiviteit kunnen
    hebben.

De lidstaten van de Europese Unie moeten tegen eind december 2009 de richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt omzetten. Die ‘Dienstenrichtlijn’ is er in hoofdzaak op gericht de belemmeringen op de vrijheid van vestiging en de ontwikkeling van het dienstenverkeer tussen de landen van de Unie op te heffen. Ze is van toepassing op vrijwel alle verhandelbare diensten waar nog geen Europese regeling voor was. De grootste daarvan zijn de bouw, de groot- en detailhandel en de zakelijke dienstverlening, maar de richtlijn is ook van toepassing op onder andere de horeca, de vastgoedsector, de verhuur, de automatisering en onderzoek en ontwikkeling.

In het kader van de omzetting in België werd aan het FPB en de NBB gevraagd een studie te maken over de potentiële gevolgen van die richtlijn voor de economie. De studie stond onder toezicht van een begeleidingscomité samengesteld uit vertegenwoordigers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale Arbeidsraad en de gewestelijke Economische en Sociale Raden. Het rapport is de synthese van dat gezamenlijke werk.

De Dienstenrichtlijn is door de Europese Commissie gelanceerd als belangrijke stap in de realisatie van de interne markt. Na de implementatie kunnen dienstverleners makkelijker hun diensten in andere lidstaten aanbieden of zich er vestigen. Daartoe vraagt de richtlijn om een sterke vereenvoudiging van de administratieve procedures en mag er geen enkele discriminatie tussen binnenlandse en buitenlandse dienstverleners meer zijn. Ondanks het belang voor de interne markt mag niet verwacht worden dat de richtlijn grote economische gevolgen zal hebben.

De buitenlandse handel in diensten is relatief klein. Hoewel 83% van de Belgische toegevoegde waarde in de dienstenbranches wordt gerealiseerd (2007), bestaat naar schatting slechts 20% van de uitvoer en 18% van de invoer uit diensten. Dat contrast is niet alleen veroorzaakt door de regelgeving, maar ook door andere obstakels en de specifieke kenmerken van diensten. Wat dat laatste betreft is onder andere de vaak noodzakelijke geografische nabijheid van klant tot leverancier belangrijk. Het aandeel van de dienstenbranches in de buitenlandse investeringen lijkt veel groter dan in de buitenlandse handel. Er zijn door buitenlandse dienstverleners al aanzienlijke investeringen in België gedaan en Belgische diensverleners hebben ook veel in het buitenland geïnvesteerd. In het bijzonder de groot- en detailhandel en de zakelijke dienstverlening hebben daaraan bijgedragen. Die buitenlandse investeringen geven ook aan dat er, voorafgaand aan de lancering van de Dienstenrichtlijn, al veel gerealiseerd is in het vergemakkelijken van buitenlandse activiteiten door dienstverleners.

Op basis van enkele economische analyses voor België heeft de studie van het Federaal Planbureau en de Nationale Bank bevestigd dat van de invoering van de Dienstenrichtlijn een relatief klein positief effect verwacht mag worden. Voor het macro-economisch effect is op basis van twee toonaangevende Europese studies beredeneerd wat de richtlijn voor België zou kunnen betekenen. Die studies dateren uit 2004 en gingen uit van het eerste ontwerp van de richtlijn (toen ‘Bolkesteinrichtlijn’ genaamd). Ten opzichte van dat eerste ontwerp is de uiteindelijke Dienstenrichtlijn echter op enkele punten afgezwakt. Bovendien werd sinds 2004 in België al een aantal maatregelen in de geest van de richtlijn getroffen, in het bijzonder op het gebied van de administratieve vereenvoudiging. Door met beide factoren rekening te houden zijn de resultaten van de studies bijgesteld, ten einde een indruk te geven wat nu de effecten zouden kunnen zijn. Voor de diensten die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen zou de intra-EU handel van België met maximaal ongeveer 37% kunnen toenemen en de buitenlandse kapitaalgoederenvoorraad met maximaal ongeveer 24%. Zoals gemeld is dat echter maar een klein deel van de totale buitenlandse handel, terwijl het netto effect op de totale kapitaalgoederenvoorraad ook klein is. Het effect van de richtlijn op het BBP zou tussen 0,5 en 1,0% komen te liggen. Dat zou ongeveer 6.000 tot 9.000 arbeidsplaatsen opleveren.

Ook voor de bedrijfstakken die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen wordt een klein maar positief effect verwacht. Met gegevens uit een databank van Belgische ondernemingen zijn schattingen gemaakt van de factoren die van invloed zijn op de beslissing van ondernemers om diensten te exporteren, te importeren of een vestiging in het buitenland op te richten. Daaruit is gebleken dat de regelgeving alleen een significante invloed heeft op de beslissing om te exporteren, en nagenoeg niet op beide andere beslissingen. Andere factoren die een rol spelen zijn de grootte en efficiëntie van de onderneming en de obstakels die niet uit de regelgeving voortvloeien en niet door de richtlijn beïnvloed worden. De invoering van de Dienstenrichtlijn kan een effect op de export hebben dat verschilt naar de grootte van de onderneming en de branche waar ze in actief is. Dat effect kan in sommige branches zeer aanzienlijk zijn en is inderdaad afhankelijk van de grootte van de onderneming. Die branches zijn de vastgoedsector, de bouw, de verhuur, de automatisering en de zakelijke dienstverlening. Het verwachte effect op de omzet is echter steeds maar klein. Dat laatste geeft opnieuw aan dat export relatief onbelangrijk is voor dienstverlenende bedrijven. Deze micro-economische resultaten stemmen dus overeen met de redenering die op basis van de macroeconomische studies gemaakt is.

In deze studie is ook nog gekeken naar het specifieke geval van de groot- en detailhandel. Deze branche is weinig betrokken bij de internationale handel in diensten, maar met een aandeel van 13% in het BBP (2007) wel belangrijk voor de Belgische economie. Toch kan de administratieve vereenvoudiging die voortvloeit uit de richtlijn belangrijke gevolgen voor de performantie hebben, in het bijzonder voor de detailhandel. De deregulering van de afgelopen tien jaar (o.a. de Ikeawet, administratieve vereenvoudiging en vereenvoudiging van de wet op de economische mededinging) is gepaard gegaan met een versterking van de productiviteitsgroei. Ook zijn er aanwijzingen dat de concurrentie in de branche toegenomen is, hoewel ze nog niet het niveau van bepaalde andere Europese landen bereikt heeft. Door de invoering van de Dienstenrichtlijn zou die tendens zich voort kunnen zetten.

Uiteindelijk zal het effect van de opheffing van de handelsbelemmeringen ook afhangen van de manier waarop de richtlijn werkelijk wordt omgezet in de Europese landen. Toch bevestigen deze resultaten de verwachting dat, hoewel de grensoverschrijdende activiteit van sommige bedrijfstakken sterk kan toenemen, het totaal effect waarschijnlijk relatief gering maar toch positief zal zijn. Het effect dat de richtlijn – in het bijzonder haar luik over de administratieve vereenvoudiging – kan teweegbrengen in termen van efficiëntie op het binnenlandse niveau mag evenwel niet worden onderschat, hoewel het in het kader van deze studie niet mogelijk was om daar een berekening van te maken. Bovendien past de richtlijn in de Europese gedachte dat er zoveel mogelijk één interne markt geschapen wordt, waar geen onderscheid tussen binnenen buitenlandse producenten meer gemaakt wordt.

"De economische gevolgen van de Dienstenrichtlijn in België: een verkenning", Ch. Piette, J. van der Linden, December 2009. Contact: jvdl@plan.be, christophe.piette@nbb.be

De Studie kan gedownload worden op de webstekken van de Nationale Bank van Belgïe (www.nbb.be) en van het Federaal Planbureau (www.plan.be).