Perscommuniqué - Economische projecties voor België – Najaar 2015

In dit artikel worden de nieuwe macro-economische vooruitzichten voor België voor de periode 2015‑2017 toegelicht, die door de Bank worden opgesteld in het kader van de projecties van het Eurosysteem. In die vooruitzichten zijn de begrotingen van de federale overheid en de deelgebieden vervat en dus ook de maatregelen die medio oktober werden beslist in het kader van de taxshift. Deze laatste is erop gericht de heffingen op arbeid te verminderen via een verschuiving naar belastingen op consumptie en kapitaal. Afgezien van hun impact op de begroting beïnvloeden die maatregelen de inkomens van de huishoudens, de loonkosten - en dus het concurrentievermogen - van de ondernemingen en het algemene prijsverloop in de economie.

Op wereldvlak was de vertraging in de opkomende economieën groter dan werd verwacht in het kader van de voorjaarsramingen, en de verzwakking van de wereldhandel, die daar grotendeels uit voortvloeit, bleek verrassend intens. De bedrijvigheid, daarentegen, verstevigde nog in de geavanceerde economieën, met name in de Verenigde Staten, waar de aanhoudende verbetering van de arbeidsmarktsituatie en de stijging van de lonen een gunstige invloed hadden op de particuliere consumptie. Ten gevolge van de daling van de buitenlandse vraag in het eerste deel van het jaar verzwakte de groei in het eurogebied enigszins. De vertraging is echter beperkt gebleven aangezien de bedrijvigheid nog steeds werd ondersteund door de forse afname van de olieprijzen, de depreciatie van de euro en het lage rentepeil, onder impuls van de belangrijke monetairbeleidsmaatregelen die begin 2015 werden genomen. Bovendien gebeurde dit tegen de achtergrond van een steeds minder restrictief begrotingsbeleid. Volgens de projecties van het Eurosysteem zou het bbp naar volume van het eurogebied, na een groei met 1,5% in 2015, in 2016 met 1,7 % toenemen, waarna die toename zou oplopen tot 1,9 % in 2017. De inflatie in het eurogebied zou dit jaar nog vrijwel gelijk zijn aan nul, onder invloed van de sterke daling van de energieprijzen, maar zou daarna stijgen, tot 1,6 % in 2017.

In België zette het economische herstel zich in de eerste helft van 2015 voort in een gematigd tempo, alvorens enigszins af te zwakken vanaf de zomer, tegen de achtergrond van een tanend vertrouwen van de ondernemingen en de huishoudens. Volgens onze vooruitzichten zou die verzwakking tijdelijk zijn maar wel voldoende om de groei volgend jaar enigszins af te remmen: deze zou teruglopen van 1,4 % in 2015 tot 1,3 % in 2016, alvorens weer te stijgen tot 1,6 % in 2017. De particuliere consumptie, die in de eerste helft van 2015 de belangrijkste groeimotor was, zou vertragen. Ondanks een gunstige arbeidsmarktsituatie zouden de loonmatiging en de stijging van de indirecte belastingen - met name die op elektriciteit - een neerwaartse druk uitoefenen op het reëel beschikbaar inkomen van de huishoudens, die derhalve hun consumptieve bestedingen zouden beperken. De ondernemingen zouden profiteren van een forse verbetering van hun kostenconcurrentievermogen, dankzij de regeringsmaatregelen die erop gericht zijn de loonkosten te verminderen en die bovenop het concurrentievoordeel van de voorbije depreciatie van de euro komen. Dit zou hun uitvoer schragen en daarnaast bijdragen tot een verder herstel van hun rentabiliteit. De bedrijfsinvesteringen zouden ook verder aantrekken, terwijl de groei van de investeringen in woningen van de huishoudens bescheiden zou blijven. De voortzetting van de begrotingssanering op alle beleidsniveaus zou de overheidsuitgaven in 2016 en 2017 nog sterk inperken.

De groei van de bedrijvigheid en de vermindering van de loonkosten zouden de nettowerkgelegenheidscreatie ondersteunen: nadat in 2015 iets meer dan 30 000 banen worden gecreëerd, zou dit aantal oplopen tot meer dan 40 000 per jaar in 2016 en 2017. De participatiegraad zou tijdens de projectieperiode toenemen dankzij de onlangs genomen maatregelen met betrekking tot het einde van de loopbaan. De werkloosheidsgraad zou teruglopen van 8,6 % in 2014 tot 8,1 % in 2017.

De inflatie, die in het begin van het jaar een laagtepunt had bereikt, onder invloed van de daling van de energieprijzen, werd in april opnieuw positief en is sindsdien onophoudelijk gestegen. Ze zou toenemen, tot bijna 2 % volgend jaar, als gevolg van de verwachte stijging van de grondstoffenprijzen maar vooral omdat de indirecte belastingen, in het bijzonder op het verbruik van elektriciteit door de huishoudens, werden verhoogd door de federale regering en het Vlaamse Gewest. De onderliggende inflatie, dat is de inflatie gezuiverd voor de invloed van de prijzen van volatiele componenten, zou de volgende drie jaar in de buurt van 1,5 % liggen. De loonkosten per eenheid product in de private sector, die in belangrijke mate worden beïnvloed door de verschillende maatregelen met als doel de arbeidskosten te verlichten (in casu de indexsprong, de loonmatiging en de verlagingen van werkgeversbijdragen), zouden in 2016 nog licht dalen, alvorens weer matig te stijgen in 2017.

De in de begrotingen van de federale overheid en de deelgebieden opgenomen maatregelen werden in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op de projecties van het Eurosysteem. Deze houden onder meer in dat de maatregelen waarvan de voorwaarden of het rendement onvoldoende vaststaan, niet in aanmerking mogen worden genomen. Tegen die achtergrond wordt verwacht dat het begrotingstekort tijdens de projectieperiode slechts matig zal teruglopen, namelijk van 3,1 % bbp in 2014 tot 2,5 % in 2017; deze verbetering zou bovendien bijna uitsluitend toe te schrijven zijn aan de daling van de rentelasten. De overheidsschuld zou zich stabiliseren rond de 107 % bbp.

Deze vooruitzichten werden afgesloten op 19 november 2015 en omvatten dus niet de gevolgen van de uitzonderlijke veiligheidsmaatregelen die werden ingevoerd in het licht van de tijdelijke verhoging van het dreigingsniveau, naar aanleiding van de aanslagen in Parijs op 13 november 2015.