4.1 Toepassingsgebied

4.1.1 Ondernemingen waarop dit hoofdstuk van toepassing is

4:2 Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht (met inbegrip van kleine verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 272 e.v. van de Toezichtswet Verzekeringen[1]);
  • Herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht;
  • In België gevestigde bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren;
  • Verzekeringsholdings naar Belgisch recht;
  • Gemengde financiële holdings naar Belgisch recht aan het hoofd van een financieel conglomeraat waarbinnen de verzekeringssector de voornaamste sector is.

4:3 Omwille van de consistentie en om een level playing field te garanderen wordt zoveel mogelijk uitgegaan van een sectoroverschrijdende benadering van de geschiktheidsvereisten. Derhalve gelden de in dit hoofdstuk uiteengezette richtlijnen - in de mate dat ze in overeenstemming zijn met de voor de betrokken ondernemingen geldende wettelijke verplichtingen - voor alle bovengenoemde ondernemingen. De NBB houdt echter bij elke geschiktheidsbeoordeling rekening met de aard, de omvang, de complexiteit, het risicoprofiel en de organisatiestructuur van de onderneming waar de betrokkene werkzaam is (zie het punt over het evenredigheidsbeginsel in de inleiding). Als toezichthouder is de NBB van mening dat er geen dwingende redenen zijn om verschillende beoordelingsstandaarden te hanteren voor verschillende onderdelen van de financiële sector.

4.1.2 Personen waarop dit hoofdstuk van toepassing is

4:4 Dit hoofdstuk heeft betrekking op de draagwijdte en de beoordeling van de individuele en desgevallend collectieve geschiktheid van de personen die de volgende functies uitoefenen of wensen uit te oefenen:

  • bestuurder;
  • effectieve leider[2]; en
  • verantwoordelijke voor een onafhankelijke controlefunctie[3].

4:5 Effectieve leiders van niveau “N-1” (leiders die een rechtstreekse en doorslaggevende invloed uitoefenen op het bestuur van de onderneming maar die geen lid zijn van het directiecomité), met uitzondering van de algemene lasthebbers van bijkantoren, moeten niet worden goedgekeurd door de NBB[4]. Uiteraard betekent dit niet dat deze personen niet over de voor hun functie vereiste deskundigheid en professionele betrouwbaarheid moeten beschikken. De principes van dit hoofdstuk zijn ook op hen van toepassing, maar, aangezien zij niet door de NBB worden beoordeeld, moeten de ondernemingen haar niet in kennis stellen via de formulieren die in hoofdstuk 5 van dit handboek aan bod komen.

4.1.3 Grensoverschrijdende context

4:6 Voor de toepassing van dit hoofdstuk in een grensoverschrijdende context dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de volgende drie situaties:

  1. Ondernemingen die zijn gevestigd in de Europese Economische Ruimte en die in België actief zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten => Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de leiders van in de Europese Economische Ruimte gevestigde ondernemingen die in België actief zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten.
  2. Belgische ondernemingen die in het buitenland actief zijn via een bijkantoor => Dit hoofdstuk is van toepassing op de leiders en verantwoordelijken voor onafhankelijke controlefuncties van bijkantoren van ondernemingen waaraan in België een vergunning is verleend en die in het buitenland actief zijn via een bijkantoor.
  3. Ondernemingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte en die in België actief zijn via een bijkantoor => Dit hoofdstuk is van toepassing op de leiders en verantwoordelijken voor onafhankelijke controlefuncties van in België gevestigde bijkantoren van ondernemingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte.

4.1.4 Groepscontext

4:7 Overeenkomstig de Solvabiliteit II-richtlijn, die omgezet is in de Toezichtswet Verzekeringen, en zoals toegelicht in circulaire NBB_2016_31, moet de voor de groep verantwoordelijke entiteit zorgen voor de tenuitvoerlegging (en naleving) van een samenhangend en geïntegreerd groepsbeleid voor de beoordeling van de geschiktheid bij alle dochterondernemingen binnen de prudentiële consolidatie.

4:8 Zowel op het niveau van de Belgische moederonderneming als op het niveau van alle gereglementeerde Belgische dochterondernemingen dienen de betrokken personen geschikt te zijn voor de door hen uitgeoefende functie en derhalve te voldoen aan de geschiktheidsstandaarden. Indien een persoon zowel op moeder- als op dochterniveau een functie uitoefent die onder het toepassingsgebied van de wet valt, moeten er twee afzonderlijke beoordelingen worden uitgevoerd.

 

[1]  Ondernemingen die kunnen worden aangemerkt als "kleine instellingen" zoals gedefinieerd in de inleiding van dit handboek.

[2]  De leden van het directiecomité vallen onder de toepassing van dit hoofdstuk, ongeacht of ze al dan niet bestuurder zijn.

[3]  De beoordeling moet betrekking hebben op de hoogstgeplaatste verantwoordelijke voor de onafhankelijke controlefunctie of, in geval van uitbesteding van de onafhankelijke controlefunctie, op de persoon die verantwoordelijk is voor de opvolging van deze uitbesteding (de zogenaamde "verbindingspersoon").

[4]  Om elk misverstand te vermijden zij opgemerkt dat, wanneer er geen directiecomité is opgericht, de effectieve leiders van niveau "N" verplicht zijn een dossier voor te leggen aan de NBB om te worden goedgekeurd.