Internationale samenwerking: commentaar en aanbevelingen van de NBB

De internationale samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de toezichtautoriteiten die bevoegd zijn inzake SWG/FT zijn juridisch verankerd in de artikelen 129 tot 131 van de antiwitwaswet. Dit wettelijk kader is gebaseerd op de regelgeving die van toepassing is op prudentieel vlak, waardoor de vroegere wettelijke belemmeringen niet langer gelden mits de in de huidige wet vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. In dit kader wordt ook rekening gehouden met het territorialiteitsbeginsel dat geldt voor de SWG/FT-wetgevingen van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en van derde landen.

Artikel 130 van de antiwitwaswet beschrijft de verschillende situaties waarin de Belgische toezichtautoriteiten (met name de NBB) dienen samen te werken met hun buitenlandse tegenhangers. Zo geldt voor de NBB het volgende in het kader van haar bevoegdheidsdomein ratione personae, dat is vastgelegd in artikel 85 van de antiwitwaswet:

  • Wanneer de betrokken entiteit een bijkantoor, een dochteronderneming of een andere vorm van vestiging op het Belgisch grondgebied (met name een netwerk van agenten of distributeurs) van een buitenlandse financiële instelling is, is deze entiteit in België niet onderworpen aan de SWG/FT-wet van haar land van herkomst maar aan de Belgische antiwitwaswet, en valt het toezicht op de naleving van deze Belgische wetgeving niet onder de bevoegdheid van de toezichtautoriteit van het land van herkomst maar onder die van de NBB; bij de uitoefening van deze territoriale toezichtsbevoegdheid moet echter rekening worden gehouden met de afhankelijkheid van de onder toezicht staande entiteit van haar maatschappelijke zetel of van haar moederonderneming, die zelf een onderworpen entiteit is die in haar land van herkomst onder toezicht staat. Zo is het voor de doeltreffendheid van de governanceregels inzake SWG/FT van de Belgische entiteit noodzakelijk dat deze regels in overeenstemming zijn met die van de moederonderneming. Omgekeerd kan de situatie van de Belgische entiteit op het gebied van SWG/FT invloed hebben op die van haar moederonderneming in het land waar deze laatste is gevestigd. Bijgevolg bepaalt artikel 130, § 1, eerste lid, van de antiwitwaswet dat de NBB moet samenwerken en alle nuttige informatie uitwisselen met de toezichtautoriteit van het land van herkomst die bevoegd is ten aanzien van de moederonderneming.
  • In dezelfde situatie moet de moederonderneming in overeenstemming met zowel de FAG-normen als Richtlijn 2015/849 gedragslijnen en interne procedures inzake SWG/FT uitwerken die van toepassing zijn op alle entiteiten van de groep, waaronder de Belgische entiteit; het toezicht op de naleving van deze verplichting valt onder de bevoegdheid van de autoriteit van het land van herkomst. Artikel 130, § 1, tweede lid, van de antiwitwaswet bepaalt echter dat de NBB dient samen te werken met deze buitenlandse autoriteit om erop toe te zien dat de gedragslijnen en procedures op groepsniveau effectief ten uitvoer worden gelegd door de Belgische entiteit.
  • Artikel 130, § 2, van de antiwitwaswet voorziet in bepalingen die een “afspiegeling” zijn van de bovenstaande bepalingen en die van toepassing zijn wanneer de Belgische entiteit de moederonderneming is van een groep die onderworpen entiteiten heeft gevestigd in andere lidstaten of in derde landen;
  • Artikel 130, § 2, eerste lid, van de antiwitwaswet is zodanig geformuleerd dat deze bepaling in het geval van een Belgische onderworpen entiteit die tot een buitenlandse groep behoort, ook de wettelijke basis vormt voor een mogelijke samenwerking tussen de NBB en de bevoegde autoriteiten van lidstaten of derde landen waarin de moederonderneming van de groep niet is gevestigd maar waarin deze groep andere vestigingen heeft.

De voorwaarden waaronder de NBB in het kader van de hierboven beschreven samenwerking vertrouwelijke informatie kan meedelen aan haar tegenhangers in andere lidstaten of in derde landen zijn vastgelegd in artikel 131 van de antiwitwaswet. Wanneer de andere autoriteit zelf niet is onderworpen aan een beroepsgeheim dat ten minste gelijkwaardig is met dat waaraan de NBB is gebonden, mag er in wezen enkel vertrouwelijke informatie worden meegedeeld op voorwaarde dat er een “Memorandum of Understanding” (MoU) is afgesloten op basis van het wederkerigheidsbeginsel, waarin het toegestane gebruik van de meegedeelde informatie wordt beperkt tot het toezicht inzake SWG/FT en het prudentieel toezicht van de autoriteit die deze informatie ontvangt, en waarin de overdracht ervan aan derden zonder de instemming van de NBB wordt verboden.