Nationale samenwerking: commentaar en aanbevelingen van de NBB

De nationale samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de Belgische toezichtautoriteiten die bevoegd zijn inzake SWG/FT zijn juridisch verankerd in artikel 121 van de antiwitwaswet. Alle Belgische toezichtautoriteiten zijn voortaan onderworpen aan een wettelijk beroepsgeheim dat gelijkwaardig is met dat waaraan de NBB is gebonden, waardoor alle wettelijke belemmeringen voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie die noodzakelijk is voor de uitoefening van het toezicht zijn weggenomen.

Zo werkt de NBB in de praktijk samen met de volgende Belgische autoriteiten:

  1. de CTIF;
  2. de FSMA;
  3. de FOD Financiën (Thesaurie);
  4. de FOD Economie.

De samenwerking met de FSMA, de FOD Financiën (Thesaurie) en de FOD Economie is van bijzonder groot belang voor het waarborgen van de algemene coherentie van de toezichtsacties wanneer verschillende financiële instellingen in eenzelfde groep onder de bevoegdheid van verschillende toezichtautoriteiten vallen of wanneer eenzelfde financiële instelling gelijktijdig onder de toezichtsbevoegdheden van twee autoriteiten valt. In het kader van deze samenwerking moeten deze autoriteiten alle informatie uitwisselen die nuttig is voor de uitoefening van hun respectieve toezichtsbevoegdheden, met name wat betreft:

  • de modaliteiten inzake governance en organisatie van de betrokken financiële instellingen en de beoordeling hiervan door de autoriteiten;
  • de gedragslijnen, procedures en interne controle van deze financiële instellingen en de beoordeling hiervan door de autoriteiten;
  • de informatie die met name in het kader van de door deze autoriteiten vereiste ad-hoc- of periodieke rapporteringen wordt verstrekt door de financiële instellingen;
  • de beoordeling van de aan deze financiële instellingen verbonden WG/FT-risico’s door deze autoriteiten;
  • de vaststellingen van de autoriteiten met betrekking tot de naleving van de verplichtingen inzake SWG/FT door deze financiële instellingen;
  • de door deze autoriteiten beoogde of uitgevoerde toezichtsacties, de resultaten daarvan en de beslissingen die daaruit kunnen voortvloeien;
  • enz.

Deze samenwerking kan ook leiden tot gecoördineerde of zelfs gezamenlijke toezichtsacties. Zo kunnen vertegenwoordigers van de FSMA, van de FOD Financiën (Thesaurie) of de FOD Economie waar relevant betrokken zijn bij de SWG/FT-inspecties die ter plaatse worden uitgevoerd door de diensten van de NBB, of omgekeerd. Deze samenwerking doet echter geen afbreuk aan de wettelijke toezichtsbevoegdheden die respectievelijk zijn toegekend aan elk van deze autoriteiten ten aanzien van de betrokken financiële instellingen.

De samenwerking van de NBB met de CFI verschilt van die met de andere drie voornoemde Belgische autoriteiten omdat de taken van de CFI van een andere aard zijn dan de aan de NBB toevertrouwde taken. Als “financiële inlichtingeneenheid” oefent de CFI immers geen toezicht uit op onderworpen financiële instellingen en beschikt zij dus niet noodzakelijkerwijs over nauwkeurige informatie betreffende bijvoorbeeld de governance, de organisatie, de interne procedures enz. van de financiële instellingen. Doordat de CFI echter meldingen van vermoedens van de financiële instellingen ontvangt, kan zij worden gealerteerd door het atypische meldingsgedraging van bepaalde instellingen (bv. systematisch laattijdige melding van vermoedens of systematisch laattijdig antwoorden op verzoeken om inlichtingen van de CFI, regelmatige gebrekkige en onvolledige meldingen, meldingen die niet berusten op vermoedens enz.). Dergelijke informatie is van nature nuttig voor de uitoefening van de toezichtsbevoegdheden van de NBB.

Om te waarborgen dat dergelijke informatie ter kennis van de toezichtautoriteiten wordt gebracht telkens wanneer dit nuttig is, wordt enerzijds in artikel 83, § 2, 3°, van de antiwitwaswet bepaald dat het beroepsgeheim waaraan de CFI is gebonden, niet van toepassing is op de mededeling aan de toezichtautoriteiten van alle informatie die voor die autoriteiten nuttig is voor de uitoefening van hun toezichts- en sanctiebevoegdheden. Anderzijds worden in artikel 121, § 3, van de antiwitwaswet de CFI en de Belgische toezichtautoriteiten, met name de NBB, verplicht om onderling samen te werken en alle nuttige informatie uit te wisselen telkens als dit nodig is voor de uitoefening van hun bevoegdheden bepaald bij of krachtens deze wet.

Een dergelijke samenwerking en uitwisseling van vertrouwelijke informatie met alle betrokken Belgische autoriteiten kan van geval tot geval plaatsvinden op basis van de bepalingen van de wet telkens wanneer een van deze autoriteiten dit nodig acht. Om deze nationale samenwerking en uitwisseling van informatie echter concreet en efficiënt te organiseren en om, in voorkomend geval, te voorzien in een minimumfrequentie voor deze uitwisselingen, kunnen de betrokken autoriteiten het wenselijk achten om de modaliteiten ervan vast te leggen in “Memorandums of Understanding” (MoU) die beschikbaar worden gesteld op de website van de NBB. Momenteel heeft de NBB enkel met de FSMA een MoU ondertekend (zie https://www.nbb.be/nl/financieel-toezicht/prudentieel-toezicht/samenwerking), maar er worden nog andere MoU’s uitgewerkt.