Analyse van atypische feiten en verrichtingen: commentaar en aanbevelingen van de NBB

Wanneer de mechanismen voor doorlopende waakzaamheid ten aanzien van verrichtingen en zakelijke relaties een melding genereren van een atypisch feit of een atypische verrichting, wordt van de financiële instelling verwacht dat zij in eerste instantie een voorafgaande analyse uitvoert van die melding om de gegrondheid ervan te waarborgen (zie punt 1 hieronder). Daarnaast moeten de financiële instellingen beschikken over een systeem voor de analyse van feiten of verrichtingen waarvan het atypisch karakter aldus wordt bevestigd zodat, in voorkomend geval op basis van een breder scala aan informatie, kan worden vastgesteld of de financiële instelling moet oordelen dat zij “weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden” dat de geldmiddelen, verrichtingen of feiten verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme (zie punt 2 hieronder). Het systeem voor de voorafgaande analyse en de analyse van de atypische feiten of verrichtingen moet ook aan internecontrolemaatregelen worden onderworpen (zie punt 3 hieronder).

1. Voorafgaande analyse van meldingen gegenereerd door het systeem voor de opsporing van atypische feiten en verrichtingen

Zoals toegelicht op de pagina “Doorlopende waakzaamheid en opsporing van atypische verrichtingen”, is het systeem voor de opsporing van atypische feiten en verrichtingen tweeledig: (i) opsporing door personen die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of belast zijn met hun verrichtingen en (ii) een aanvullend geautomatiseerd toezichtssysteem.

De Bank raadt aan een voorafgaande analyse uit te voeren om te bepalen of de rechtstreeks beschikbare informatie niet strijdig is met het atypisch karakter van het gemelde feit of de gemelde verrichting, wanneer dit aangewezen lijkt in het licht van de kenmerken van de melding, met name gelet op de complexiteit van het betrokken feit of de betrokken verrichting, op het aantal betrokkenen, op de bedragen in kwestie, enz., of wanneer er ernstige twijfels bestaan over de geldigheid van de informatie waarop de melding berust.  Met deze voorafgaande analyse wordt dus een eerste beoordeling gemaakt van de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de verrichting waarvoor een melding werd verricht, om de relevantie ervan te waarborgen.

In het algemeen raadt de NBB aan om deze voorafgaande analyse te laten uitvoeren door de AMLCO of een lid van zijn team.  Met name om redenen van evenredigheid staat de NBB echter toe dat deze taak wordt uitgevoerd door een “AML-correspondent” in een andere dienst, op voorwaarde dat deze hiërarchische banden heeft met, enerzijds, de AMLCO of de verantwoordelijke voor de compliancefunctie voor zijn taken inzake de voorafgaande analyse van meldingen en, anderzijds, met een ander operationeel departement voor zijn andere taken en functies.  De personen die de voorafgaande analyse van de meldingen uitvoeren, moeten hun instructies in elk geval krijgen van de AMLCO onder wiens toezicht ze die taken vervullen. Die personen moeten ervaren en gekwalificeerd zijn, een passende SWG/FTP-opleiding genoten hebben en toegang hebben tot de informatie die noodzakelijk is om hun taken uit te voeren.  Voorts wordt verwacht dat de financiële instellingen ervoor zorgen dat de personen die deze voorafgaande analyse uitvoeren over voldoende personele en technische middelen beschikken om de meldingen te valideren. Als er aan deze taak onvoldoende middelen worden toegekend, kan het immers onmogelijk blijken om de gegenereerde meldingen onverwijld te analyseren en kan er vertraging worden opgelopen bij het ter analyse voorleggen van gevalideerde meldingen aan de AMLCO, met alle nadelige gevolgen van dien, of, omgekeerd, kan dit tot gevolg hebben dat een buitensporig aantal dossiers worden bezorgd aan de AMLCO, waaronder dossiers die gebaseerd zijn op onjuiste informatie, waardoor de efficiëntie van diens vermogen om een grondige analyse uit te voeren, wordt verminderd. 

Na afloop van de voorafgaande analyse, die bestaat in een onderzoek van de rechtstreeks beschikbare informatie over de achtergrond van de feiten of de verrichtingen die tot de melding hebben geleid, wordt het dossier ofwel afgesloten zonder verder gevolg bij “vals alarm”, mits dit terdege gemotiveerd wordt, ofwel doorgegeven aan de AMLCO, die een grondigere analyse uitvoert. Het resultaat van die voorafgaande analyse moet worden gedocumenteerd op basis van een eenvoudige en indien mogelijk gestructureerde verantwoording  (van het type “vals alarm want…” of “Melding die een grondigere analyse vereist want…”) om een controle a posteriori mogelijk te maken.

Indien het dossier aan de AMLCO wordt doorgegeven, moet(en) de persoon of personen die belast is of zijn met de voorafgaande analyse, onmiddellijk hun volle medewerking verlenen aan de AMLCO en hem indien nodig ondersteunen bij het verzamelen van zoveel mogelijk beschikbare informatie over de cliënt, het feit of de betrokken verrichting, of over de achtergrond van deze elementen.

2. Analyse van atypische feiten en verrichtingen door de AMLCO

2.1. Doel van de analyse - Vaststelling van het vermoeden van witwassen van geld of financiering van terrorisme

Wanneer de relevantie van de melding wordt gevalideerd zoals hierboven vermeld, moet de financiële instelling erop toezien dat de betrokken atypische feiten of verrichtingen voldoende grondig worden geanalyseerd, waarbij ook rekening wordt gehouden met de achtergrond van deze elementen, zodat kan worden bepaald of deze financiële instelling moet besluiten dat zij “weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden” dat de betrokken geldmiddelen, feiten of verrichtingen verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.

De vaststelling van een vermoeden moet het resultaat zijn van een intellectueel proces en moet gebaseerd zijn op een gedocumenteerde analyse. Hierbij mogen niet alleen geautomatiseerde systemen worden gebruikt, maar moet er ook door mensen worden tussengekomen op basis van de analyse van de atypische feiten en verrichtingen en van de omstandigheden daarrond, om te beslissen of kan worden vermoed dat deze atypische feiten of verrichtingen verband houden met WG/FT en bijgevolg dienen te worden gemeld aan de CFI of omgekeerd, dat dergelijke vermoedens kunnen worden weerlegd en het dossier zonder gevolg kan worden afgesloten. 

Bij deze analyse moet ten volle rekening worden gehouden met de wettelijke definities van witwassen van geld en financiering van terrorisme.

2.1.1 Vermoedens van witwassen van geld

A. Algemene beginselen

In artikel 2 van de antiwitwaswet wordt witwassen van geld gedefinieerd aan de hand van een opsomming van handelingen (omwisseling, overdracht, achterhouden, ….) die betrekking hebben op geldmiddelen met een criminele oorsprong en die hoofdzakelijk bedoeld zijn om te (kunnen) ontkomen aan de juridische gevolgen van de gepleegde onrechtmatige handelingen.

De onderliggende criminele activiteiten van witwassen van geld zijn talrijk maar worden in artikel 4, 23°, van de antiwitwaswet restrictief omschreven als “iedere vorm van betrokkenheid bij het plegen van een misdrijf dat in verband staat met:

  1. terrorisme of de financiering van terrorisme;
  2. georganiseerde misdaad;
  3. illegale drughandel;
  4. illegale handel in wapens, goederen en koopwaren met inbegrip van antipersoonsmijnen en/of submunitie;
  5. mensensmokkel;
  6. mensenhandel;
  7. exploitatie van de prostitutie;
  8. illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen;
  9. illegale handel in menselijke organen of weefsels;
  10. fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Unie;
  11. ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd;
  12. sociale fraude;
  13. verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en corruptie;
  14. ernstige milieucriminaliteit;
  15. namaak van muntstukken of bankbiljetten;
  16. namaak van goederen;
  17. zeeroverij;
  18. een beursmisdrijf;
  19. het onwettig openbaar aantrekken van spaargeld;
  20. het verlenen van bankdiensten, financiële diensten, verzekeringsdiensten of geldovermakingsdiensten, of valutahandel, of enige andere gereglementeerde activiteit, zonder over de voor die activiteiten vereiste vergunning te beschikken of aan de toegangsvoorwaarden te voldoen;
  21. oplichting;
  22. misbruik van vertrouwen;
  23. misbruik van vennootschapsgoederen;
  24. een gijzeling;
  25. een diefstal;
  26. afpersing;
  27. de staat van faillissement;
  28. informaticabedrog. ”

In artikel 47, § 1, tweede lid, van de antiwitwaswet wordt echter verduidelijkt dat het niet de taak van de financiële instellingen is om vast te stellen welke criminele activiteit ten grondslag ligt aan het vermoeden van witwassen van geld. A fortiori moeten zij dus ook niet nagaan of de bestanddelen van de vermelde strafbare feiten aanwezig zijn, noch bewijs hiervan verzamelen. Zodra zij op basis van hun analyse van de atypische feiten en verrichtingen weten, vermoeden of redenen hebben om te vermoeden dat deze verband houden met een van de opgesomde criminele activiteiten, zijn ze verplicht de betrokken atypische feiten of verrichtingen als verdacht aan te merken. In de meeste gevallen zijn de melders immers niet in staat om de onderliggende criminele activiteit van het witwassen van geld precies te onderkennen.  Het is de taak van de CFI om aan de hand van een grondige analyse het verband te vinden tussen de betrokken geldmiddelen, de verdachte verrichting of de aangeklaagde feiten en één van de in de wet bedoelde vormen van criminaliteit.  In dit verband speelt de CFI een sorterende/filterende rol en verrijkt ze de meldingen die aan haar worden gericht, waardoor vermeden wordt dat de parketdiensten overbelast worden door niet-relevante meldingen.  Dit belet niet dat de melders naar een of andere vorm van onderliggende criminaliteit kunnen verwijzen wanneer ze weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden dat de witgewassen geldmiddelen hun oorsprong vinden in een van de in artikel 4, 23° van de antiwitwaswet vermelde criminele activiteiten.

De termen “vermoeden” of “redelijke gronden hebben om te vermoeden” betekenen dat de financiële instelling de betrokken geldmiddelen, verrichtingen of feiten als verdacht moeten aanmerken als de analyse van de informatie die overeenkomstig de waakzaamheidsverplichtingen en met het oog op de analyse werd verzameld, ertoe leidt dat zij vermoedens heeft met betrekking tot de rechtmatigheid van de geldmiddelen of de verrichting of met betrekking tot de economische, juridische of fiscale rechtvaardiging ervan (“vermoeden”), of als deze analyse elementen bevat die haar twijfels hierover niet redelijkerwijze kunnen wegnemen (“redelijke gronden hebben om te vermoeden”).

B. Bijzondere gevallen van witwassen van geld
§1. Witwassen van geld afkomstig van al dan niet georganiseerde ernstige fiscale fraude

Met toepassing van het in artikel 47, § 1, tweede lid, van de antiwitwaswet beschreven beginsel, moet een financiële instelling een atypische verrichting als verdacht aanmerken wanneer zij op basis van de analyse van deze verrichting oordeelt dat zij weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden dat de betrokken geldmiddelen een illegale herkomst hebben die bestaat in een van de in de wet opgesomde criminele activiteiten, waaronder ernstige fiscale fraude, zonder dat zij moeten bepalen om welke van deze criminele activiteiten het precies gaat (zie hierboven).

De Bank is bijgevolg van oordeel dat een financiële instelling geldmiddelen en verrichtingen die betrekking hebben op deze geldmiddelen als verdacht moet aanmerken wanneer zij weet, vermoedt of redenen heeft om te vermoeden dat deze afkomstig kunnen zijn van fiscale fraude, en derhalve wanneer zij op basis van de informatie in haar bezit niet redelijkerwijze kan uitsluiten dat het gaat om ernstige fiscale fraude. Om een verrichting als verdacht aan te merken, volstaat het dat er een vermoeden is van ernstige fiscale fraude of dat er redelijke gronden zijn om dit te vermoeden. Dit kan met name het geval zijn als er buiten het vermoeden van fiscale fraude ook sprake is van omvangrijke geldmiddelen of van een bedrag dat abnormaal hoog is gezien de activiteiten of de vermogenssituatie van de cliënt, of van een vermoeden dat valse stukken werden aangemaakt of gebruikt.

Dit betekent echter geenszins dat de financiële instelling zeker moet zijn of over bewijsstukken moet beschikken die aantonen dat de vermoedelijke ernstige fiscale fraude effectief voldoet aan de juridische voorwaarden om te worden aangemerkt als “ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd”.  Het is de taak van de CFI, waaraan deze verdachte verrichting moet worden gemeld, om aan de hand van een grondigere analyse vast te stellen of er al dan niet sprake is van onderliggende ernstige fiscale fraude.

Om de detectie van atypische verrichtingen die verband kunnen houden met witwassen van geld afkomstig van fiscale fraude, te vergemakkelijken, legt artikel 39 van de antiwitwaswet een verhoogde waakzaamheid op wanneer een verrichting, een zakelijke relatie of personen die daarbij betrokken zijn, verband houden met een Staat zonder of met een lage belasting die opgenomen is in de lijst die bij koninklijk besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 307, § 1, zevende lid, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992. In dit verband wordt verwezen naar de pagina “Staten zonder of met een lage belasting". 

Daarnaast wordt ook verwezen naar de pagina “Doorlopende waakzaamheid en opsporing van atypische verrichtingen” voor een lijst van indicatoren van atypische verrichtingen die ten grondslag kunnen liggen aan een vermoeden van ernstige fiscale fraude.

§2. Witwassen van geld afkomstig van sociale fraude en informaticabedrog

In de antiwitwaswet werden sociale fraude en informaticabedrog toegevoegd aan de lijst van onderliggende criminele activiteiten. 

Het begrip sociale fraude bestrijkt bijvoorbeeld zwartwerk, onrechtmatig genieten van uitkeringen, niet-naleving van de reglementering inzake de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten, enz.

Ondanks het feit dat het begrip informaticabedrog reeds in het begrip oplichterij kan zijn vervat, verwijst de antiwitwaswet met dit begrip naar gedrag waarbij de dader voor zichzelf of voor een ander een onrechtmatig economisch voordeel wenst te verwerven door zich toegang te verschaffen tot een informaticasysteem, door gegevens die via een informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen te wijzigen of te wissen, of door met enig ander technologisch middel de normale aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen.

De NBB nodigt de financiële instellingen uit om in dit verband de activiteitenverslagen van de CFI te raadplegen. 

2.1.2. Vermoedens van financiering van terrorisme

De NBB vestigt de aandacht van de financiële instellingen in het bijzonder op het feit dat de analyse van de atypische feiten en verrichtingen de financiële instelling ook in staat moet stellen om te bepalen of zij kan oordelen dat zij “weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden” dat de betrokken geldmiddelen, verrichtingen of feiten verband houden met de financiering van terrorisme. Dit laatste begrip wordt in artikel 3 van de antiwitwaswet gedefinieerd als de verstrekking of verzameling van geldmiddelen en andere vermogensbestanddelen, op welke wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, met het oogmerk dat deze worden gebruikt of in de wetenschap dat zij, geheel of gedeeltelijk, zullen worden gebruikt door een terroristische organisatie, of door een terrorist die alleen handelt, zelfs zonder enige band met een bepaalde terroristische daad.

De financiële instellingen moeten de coherentie tussen de oorsprong en/of de bestemming van de geldmiddelen van een of meerdere verrichtingen en de bijgewerkte kennis van de cliënten controleren. Ze treffen verscherpte waakzaamheidsmaatregelen voor geldovermakingen (overschrijvingen en geldtransfers) afkomstig van of bestemd voor geografische gebieden die als risicovol worden beschouwd op het gebied van terrorisme of de financiering van terrorisme of voor verrichtingen in die gebieden.

De financiële instellingen worden eraan herinnerd dat hun SWG/FT-beleid de risico's moet bestrijken die verband houden met de landen/gebieden van bestemming of afkomst van de geldmiddelen. Ze moeten aandacht besteden aan verrichtingen die hun cliënt in “gevoelige” landen uitvoert, maar ook aan verrichtingen die plaatsvinden in landen die, voor zover hun bekend, geen enkele band of relatie hebben met hun cliënt, omdat bepaalde landen kunnen worden gebruikt als transitlanden om het uiteindelijke land van bestemming of afkomst van de geldmiddelen te verbergen. Voorts moet er ook bijzondere aandacht worden besteed aan verrichtingspatronen waaruit blijkt dat eenzelfde persoon op korte tijd meerdere geldovermakingen verricht ten voordele van begunstigden in risicovolle geografische gebieden of omgekeerd, dat verschillende personen een groot aantal geldovermakingen ten voordele van eenzelfde persoon verrichten.

De waakzaamheidsmaatregelen dienen echter in meerdere domeinen te worden genomen, om in te spelen op de veranderende aard van terrorismefinanciering. Er is immers recent gebleken dat er verrichtingen worden uitgevoerd in alle landen, zonder dat er een verband kan worden vastgesteld met gevechtsgebieden en zonder verband met de zakelijke relatie.

Ook wijzigingen in de houding van een cliënt of in de werking van een zakelijke relatie verdienen aandacht.

2.1.3. Vermoedens van financiering van proliferatie van massavernietigingswapens

De analyse van de atypische feiten en verrichtingen moet er ook op gericht zijn de financiële instellingen in staat te stellen om te voldoen aan de bepalingen van Europees recht die aan bepaalde landen beperkende maatregelen opleggen ter bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de financiering ervan, en in het bijzonder aan de verplichting om de CFI op de hoogte te brengen van alle verrichtingen met betrekking tot geldmiddelen waarvoor er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat deze verband zouden houden met de financiering van activiteiten of programma’s die betrekking hebben op massavernietigingswapens.

De Bank is van oordeel dat in dit verband een specifieke analyse moet worden uitgevoerd van de atypische feiten en verrichtingen wanneer de kenmerken van de geldmiddelen, met name de oorsprong en bestemming ervan, de aard en de kenmerken van de verrichtingen of de kenmerken van de bij de verrichting of zakelijke relatie betrokken personen, waaronder de cliënt, zijn lasthebbers, zijn uiteindelijke begunstigden of de tegenpartijen van de verrichtingen, wijzen op banden met de betrokken landen of met personen of entiteiten waarvan bekend is dat ze betrokken zijn bij de proliferatie van massavernietigingswapens.

Er zij benadrukt dat ook hier geldt, net zoals voor de bestrijding van WG of FT, dat de financiële instelling niet met zekerheid moet weten of bewijs moet hebben van het feit dat verrichtingen of geldmiddelen verband kunnen houden met de financiering van de proliferatie van massavernietigingswapens om van oordeel te zijn dat dit het geval is:  het volstaat dat er redelijke gronden zijn om dit te vermoeden. 

2.2. Verantwoordelijkheden van de AMLCO

Een van de belangrijkste operationele verantwoordelijkheden van de AMLCO bestaat in de bovenvermelde analyse van vastgestelde atypische feiten en verrichtingen om te kunnen bepalen of er al dan niet een vermoeden van WG/FT is of dat er redelijke gronden zijn voor dit vermoeden, en of de betrokken feiten, geldmiddelen of verrichtingen bijgevolg aan de CFI moeten worden gemeld in overeenstemming met de artikelen 47 en volgende van de antiwitwaswet.

Om deze verantwoordelijkheid te kunnen vervullen, moet de AMLCO gemakkelijk toegang hebben tot alle informatie in het bezit van de financiële instelling die relevant is voor zijn/haar analyse.

In tegenstelling tot de in punt 1 hierboven beschreven voorafgaande analyse mag de analyse die de AMLCO op grond van artikel 45 van de antiwitwaswet dient te maken, niet beperkt zijn tot louter de validatie van de informatie die rechtstreeks verband houdt met de atypische verrichtingen of feiten.

Van de AMLCO wordt verwacht dat hij/zij een grondige analyse uitvoert van alle informatie die werd verzameld in het kader van de opsporing van atypische feiten of verrichtingen en van de voorafgaande analyse ervan, dat wil zeggen (i) de inhoud van de meldingen die afkomstig zijn van hetzij personen die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of belast zijn met hun verrichtingen, hetzij van het geautomatiseerd toezichtssysteem en (ii) alle informatie die werd verzameld en gedocumenteerd in het kader van de voorafgaande analyse.

Meestal is deze eerste informatie bovendien onvoldoende om te kunnen beslissen of de geldmiddelen, verrichtingen of feiten al dan niet als verdacht moeten worden aangemerkt. De analyse van de atypische feiten of verrichtingen door de AMLCO moet in het algemeen grondiger zijn en berusten op een breder scala aan informatie ter staving van de beslissing. Bijgevolg verwacht de NBB dat de AMLCO het scala aan informatie waarop hij zijn analyse steunt, op passende wijze uitbreidt, afhankelijk van de omstandigheden en de behoeften.

Hiervoor moet de AMLCO voor zijn/haar analyse de informatie verzamelen die beschikbaar is bij de financiële instelling over de cliënt, zijn risicoprofiel, de zakelijke relatie met deze cliënt - met inbegrip van een overzicht van de door hem uitgevoerde verrichtingen over een voldoende lange periode, afhankelijk van de omstandigheden - en relevante achtergrondinformatie inwinnen.  Het is echter belangrijk dat de AMLCO alle informatie kan verzamelen waarover de financiële instelling beschikt - ongeacht welke dienst of welk departement in de instelling deze informatie bezit - indien die relevant is om naar behoren te kunnen beoordelen of de betrokken atypische feiten of verrichtingen al dan niet verdacht zijn.

Afhankelijk van de omstandigheden kan die analyse de reconciliatie vereisen van de verrichtingen van de betrokken cliënt met die van andere cliënten waarmee hij financiële betrekkingen schijnt te onderhouden.

Naast de hierboven vermelde opzoekingen van informatie in de interne databanken van de instelling kan de analyse van de betrokken feiten of verrichtingen nopen tot maatregelen ter aanvulling van de maatregelen die reeds worden genomen in het kader van de doorlopende waakzaamheid (zie de artikelen 19 tot 41 van de antiwitwaswet).  Die aanvullende maatregelen kunnen onder meer bestaan in:

  • het vragen van aanvullende informatie of verantwoordingsstukken aan de cliënt zelf;
  • het opstarten van procedures om informatie in de groep te delen met het oog op de strijd tegen WG/FT (zie Organisatie en interne controle binnen de groepen), meer bepaald om te beschikken over de informatie die andere entiteiten van de groep bezitten over verrichtingen of zakelijke relaties van diezelfde cliënt met die andere entiteiten van de groep, hun kennis van die cliënt en in voorkomend geval hun eventuele vermoedens met betrekking tot die cliënt of de eventuele meldingen van verdachte verrichtingen van die cliënt die ze aan de financiële inlichtingeneenheid van hun land van vestiging zouden hebben gericht;
  • het raadplegen van openbare informatiebronnen, met name op het internet,
  • enz.

Er zij opgemerkt dat artikel 45 van de antiwitwaswet bepaalt dat de AMLCO (of de leden van zijn/haar team die onder zijn/haar gezag handelen) voor zover mogelijk, de achtergrond en het doel van de verrichtingen, in het bijzonder van alle complexe en ongebruikelijk grote verrichtingen of van ongebruikelijke verrichtingspatronen die geen zichtbaar economisch of rechtmatig doel hebben, moet analyseren. 

Wat het onderzoek naar het doel van de verrichtingen betreft, proberen de financiële instellingen inzicht te verwerven in bijvoorbeeld een juridische constructie, de verwevenheid van de ondernemingen of kruiselingse financiële verrichtingen tussen verschillende personen. De instelling verricht de analyse op basis van alle informatie waarover ze beschikt of waartoe ze toegang heeft (opzoeken van de uiteindelijke begunstigde, doel van de betrokken verrichtingen, werking van de rekeningen, enz.).

De omvang van de opzoekingen en de grondigheid van de analyse kunnen worden bepaald op basis van de kenmerken en het belang van de onderzochte gevallen, maar moeten voldoende zijn om te vermijden dat verrichtingen of feiten ofwel als verdacht worden aangemerkt zonder dat rekening wordt gehouden met belangrijke informatie die beschikbaar was bij de financiële instelling en die duidelijk van aard was om de vermoedens op te heffen ofwel, omgekeerd, zonder gevolg worden afgesloten doordat geen rekening wordt gehouden met informatie die niettemin beschikbaar is en die samen met de analyse redelijke gronden zou opleveren om een band met WG of FT te vermoeden.

Aangezien de beslissing om een feit of verrichting als verdacht aan te merken het resultaat moet zijn van de hoger beschreven analyse, mogen de financiële instellingen bepaalde feiten of verrichtingen niet automatisch als verdacht aanmerken louter op basis van vooraf vastgestelde objectieve indicatoren, zonder de vereiste analyse uit te voeren.

Zo mogen verrichtingen niet automatisch als verdacht worden aangemerkt zonder dat er een analyse is uitgevoerd op grond waarvan het vermoeden gemotiveerd kan worden, uitsluitend op basis van:

  • een loutere veronderstelling in verband met de activiteit van de cliënt, zijn adres of zijn land van verblijf of van registratie;
  • een grote verrichting waarvan het bedrag op voorhand was vastgelegd en, meer algemeen, zonder dat werd aangetoond dat het om een ongebruikelijk grote verrichting ging, gelet op het profiel van de zakelijke relatie of, voor occasionele cliënten, van de verrichtingen die de instelling gewoonlijk uitvoert;
  • moeilijkheden tussen de betrokken financiële instelling en haar cliënt of het gedrag van die laatste, met name in een persoonlijk gesprek;
  • het instellen van een gerechtelijk onderzoek of een verzoek om inlichtingen van bijvoorbeeld de CFI of van een bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit;
  • enz.

Dergelijke indicatoren zijn daarentegen bijzonder nuttig om atypische feiten of verrichtingen te identificeren die voor analyse aan de AMLCO moeten worden meegedeeld.

Ongewoon gedrag van een cliënt volstaat op zich bijvoorbeeld in het algemeen niet om zonder verdere analyse een verband vast te stellen tussen zijn verrichtingen of handelingen en het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, maar kan een relevante aanwijzing zijn om zijn verrichtingen of handelingen (met name zijn pogingen tot verrichtingen) als atypisch aan te merken en kan zo aanleiding geven tot een analyse door de AMLCO om te bepalen er een vermoeden van WG/FT is. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de interne procedures betreffende de Waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relaties en verrichtingen met name passende criteria moeten bevatten  die personen die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die belast zijn met de uitvoering van hun verrichtingen, in staat moeten stellen atypische feiten en verrichtingen op te sporen (zie artikel 16, 1° van het antiwitwasreglement van de NBB). In dit verband wordt verwezen naar de pagina “Gedragslijnen, procedures en internecontrolemaatregelen: commentaar en aanbevelingen”.

Het feit dat de financiële instelling wordt ingelicht over het instellen van een gerechtelijk onderzoek naar een cliënt of het feit dat ze een verzoek om inlichtingen van bijvoorbeeld de CFI of van een bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit ontvangen heeft, volstaat evenmin om de door deze cliënt uitgevoerde verrichtingen automatisch als verdacht te beschouwen zonder dat de AMLCO deze verrichtingen heeft geanalyseerd om te bepalen of er vermoedens van WG/FT bestaan. Evenzo is de vaststelling dat een maatregel tot bevriezing van tegoeden is opgelegd aan een cliënt, zijn lasthebber of zijn uiteindelijke begunstigde op zich onvoldoende om alle verrichtingen van de betrokken cliënt als verdacht te beschouwen, maar moet de financiële instelling op basis hiervan de zakelijke relatie opnieuw en grondiger onderzoeken om te bepalen of van bepaalde verrichtingen kan worden vermoed dat ze verband houden met de financiering van terrorisme. 

Indien de AMLCO na de analyse van de door een cliënt gerealiseerde verrichtingen vermoedt dat ze verband houden met WG/FT, stelt het feit dat de financiële instelling werd ingelicht over het instellen van een gerechtelijk onderzoek of zelfs van gerechtelijke vervolgingen tegen een cliënt, haar echter niet vrij van het melden van de verdachte verrichtingen.

 

Voor meer informatie wordt verwezen naar de pagina “Melding van vermoedens” en naar de informatie op die pagina over te goeder trouw verrichte meldingen.

2.3. Resultaat en documentatie van de analyse van de AMLCO in een schriftelijk verslag

De analyse van atypische feiten of verrichtingen kan ertoe leiden dat het dossier zonder gevolg wordt afgesloten of dat de feiten, geldmiddelen of verrichtingen als verdacht worden aangemerkt. In beide gevallen berust de beslissing bij de AMLCO (zonder interventie van de voor SWG/FTP verantwoordelijke hooggeplaatste leidinggevende).

Aangezien deze analyse bedoeld is om te bepalen of verdachte feiten, geldmiddelen of verrichtingen al dan niet moeten worden gemeld aan de CFI in overeenstemming met artikel 47 van de antiwitwaswet, moeten de financiële instellingen erop toezien dat hun AMLCO de aan hen gerichte meldingen kan analyseren met de vereiste waakzaamheid, zodat de in artikel 51 van de Wet vastgelegde termijnen voor de melding kunnen worden nagekomen (zie de pagina “Melding van vermoedens”).  De AMLCO dient prioriteit te geven aan de analyses van de atypische verrichtingen met de meest alarmerende kenmerken, met name wat betreft de betrokken bedragen en de aard en de waarschijnlijkheid van het mogelijke verband met WG/FT.

Telkens wanneer atypische feiten of verrichtingen ter analyse worden voorgelegd aan de AMLCO, moet hij/zij de resultaten optekenen in een schriftelijk intern verslag. Dit interne analyseverslag moet met name toelichten om welke redenen de AMLCO besloten heeft dat er al dan niet een vermoeden van WG/FT bestaat en moet het mogelijk maken de besluiten van de AMLCO achteraf te rechtvaardigen en controle uit te oefenen op de doeltreffendheid en de relevantie van het besluitvormingsproces.

In overeenstemming met artikel 47, § 1, 1°, van de antiwitwaswet dienen noch de analyse van de AMLCO, noch het schriftelijke analyseverslag te vermelden wat de onderliggende criminele activiteit van de verdachte verrichting is (zie hierboven). 

3. Middelen en internecontrolemaatregelen

De hierboven beschreven analyse van atypische feiten en verrichtingen om te bepalen of er al dan niet vermoedens van WG/FT zijn, die moet worden uitgevoerd om verdachte verrichtingen, geldmiddelen of feiten te kunnen melden aan de CFI, vormt een kernonderdeel van het mechanisme ter voorkoming van WG/FT waarover de financiële instellingen bij wet moeten beschikken.

Er zij aan herinnerd dat in artikel 18 van het antiwitwasreglement van de NBB eveneens wordt bepaald dat de financiële instellingen passende procedures moeten invoeren om de atypische verrichtingen zo snel mogelijk te kunnen analyseren (zie pagina “Gedragslijnen, procedures, processen en internecontrolemaatregelen”).

De NBB verwacht bovendien dat de financiële instellingen aan hun AMLCO de nodige personele en technische middelen toekennen om hem in staat te stellen deze analyse efficiënt uit te voeren en er een passend gevolg aan te geven binnen de in de wet vastgelegde termijnen.

In het algemeen wordt van de financiële instellingen verwacht dat zij er periodiek en doorlopend op toezien dat de taken inzake SWG/FTP effectief worden uitgevoerd door alle personen die hiervoor verantwoordelijk zijn binnen de instelling. Hieronder vallen ook alle taken en verantwoordelijkheden van de AMLCO, met name zijn/haar taak om atypische verrichtingen te analyseren.  In dit verband wordt verwezen naar punt 3 van de pagina “Gedragslijnen, procedures en internecontrolemaatregelen”.

Wat in het bijzonder het toezicht betreft op het door de AMLCO ingestelde systeem voor de analyse van atypische feiten en verrichtingen, raadt de NBB de interne audit aan om bijzondere aandacht te besteden aan: 

  • de doeltreffendheid van het proces voor de voorafgaande analyse en de analyse van atypische verrichtingen door de AMLCO;
  • de geschiktheid van de door de AMLCO verrichte werkzaamheden voor het verzamelen van informatie als onderdeel van zijn taak om atypische verrichtingen te analyseren;
  • de toereikendheid van de personele en technische middelen die aan de AMLCO worden toegekend om atypische feiten en verrichtingen te analyseren.