Doorlopende waakzaamheid en opsporing van atypische feiten en verrichtingen: commentaar en aanbevelingen van de NBB

De verplichting tot doorlopende waakzaamheid wordt in artikel 35, § 1, van de antiwitwaswet gedefinieerd als een tweeledige verplichting:

  • enerzijds de verplichting om de tijdens de zakelijke relatie uitgevoerde verrichtingen aandachtig te onderzoeken; deze verplichting houdt ook in dat moet worden toegezien op de occasionele verrichtingen van de cliënt en dat aandacht moet worden besteed aan intrigerende feiten betreffende de cliënt die, als ze verdacht zijn, moeten worden gemeld aan de CFI (zie punt 1 hieronder), en
  • anderzijds de verplichting tot bijwerking van de gegevens of informatie die zijn verzameld in het kader van de nakoming van de verplichting tot identificatie en identiteitsverificatie en van de verplichting tot identificatie van de kenmerken van de cliënt en van het doel en de aard van de zakelijke relatie of de occasionele verrichting (zie punt 2 hieronder).

Voor de verplichting tot doorlopende waakzaamheid wordt de risicogebaseerde benadering gevolgd: de intensiteit van de door de financiële instellingen aan de dag te leggen doorlopende waakzaamheid moet in verhouding staan tot het risiconiveau dat is vastgesteld in het kader van de individuele risicobeoordeling bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, van de antiwitwaswet, in voorkomend geval rekening houdend met de bijwerking van deze beoordeling (zie de pagina “Individuele risicobeoordeling”). Om het niveau van de doorlopende waakzaamheid te bepalen moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met het hoog niveau van de risico’s die zijn verbonden aan situaties die intrinsiek een dergelijk risiconiveau inhouden (zie de pagina “Bijzondere gevallen van verhoogde waakzaamheid”).

1. Opsporing van atypische feiten en verrichtingen

1.1. Algemene beginselen

De waakzaamheidsverplichting impliceert in de eerste plaats dat de financiële instellingen de tijdens de zakelijke relatie uitgevoerde verrichtingen, de occasionele verrichtingen en de feiten die verband houden met de zakelijke relatie, moeten onderwerpen aan een passend onderzoek dat in verhouding staat tot de risico’s, teneinde te bepalen of deze verrichtingen of feiten moeten worden gemeld aan de AMLCO.

Er zij opgemerkt dat deze verplichting ook geldt voor de verrichtingen die worden uitgevoerd met betrekking tot in andere lidstaten gevestigde cliënten in het kader van het vrij verrichten van diensten, dus zonder tussenkomst van een in die andere lidstaat gevestigd(e) dochteronderneming, bijkantoor, agent of, in het geval van instellingen voor elektronisch geld, distributeur. 

In deze fase van het proces moet nog niet worden bepaald of er een vermoeden is dat de betrokken verrichting of het betrokken feit verband houdt met WG/FT en bijgevolg moet worden gemeld aan de CFI, maar moet enkel een selectie worden gemaakt van de verrichtingen en feiten waarvan de kenmerken een grondiger onderzoek van de AMLCO vereisen om te kunnen beslissen of er al dan niet een vermoeden is dat deze verrichtingen of feiten verband houden met WG/FT (zie de pagina “Analyse van atypische feiten en verrichtingen”).

1.1.1. Atypische verrichtingen

Occasionele of in het kader van een zakelijke relatie uitgevoerde verrichtingen dienen door de financiële instellingen als “atypisch” te worden beschouwd wanneer ze niet coherent lijken met de kenmerken van de cliënt en met het doel en de aard van de zakelijke relatie of van degeplande verrichting.

Hieronder vallen met name in het kader van een zakelijke relatie uitgevoerde verrichtingen en occasionele verrichtingen die abnormaal complex lijken en betrekking hebben op ongebruikelijk grote bedragen, alsook intrinsiek ongebruikelijke verrichtingen zonder kennelijke economische grondslag of legitimiteit.

Verrichtingen die atypisch zijn in het licht van het risicoprofiel van de cliënt, zijn bijvoorbeeld:

  • verrichtingen die betrekking hebben op bedragen die niet kunnen worden gerechtvaardigd door de gekende inkomstenbronnen van de cliënt,
  • verrichtingen in contanten die betrekking hebben op aanzienlijke bedragen die niet lijken te kunnen worden verklaard door de beroepsactiviteit of de gekende vermogenssituatie van de cliënt,
  • verrichtingen van aanzienlijke omvang die verband houden met landen met een hoog risico of met landen zonder of met een lage belasting waarmee de cliënt voorheen geen door de financiële instelling gekende en legitiem bevonden band had,
  • het gebruik van schermvennootschappen, waarvan de werkelijke activiteit niet strookt met het maatschappelijk doel of waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in derde landen met een hoog risico, een Staat zonder of met een lage belasting of een Staat of grondgebied dat met België geen belastingverdrag heeft gesloten dat toegang verleent tot bankgegevens,
  • verrichtingen en structuren die vergelijkbaar zijn met die bedoeld in de vorige twee punten en die verband lijken te houden met landen die, hoewel ze niet onder artikel 38 van de Wet vallen, door de financiële instelling als landen met een vergelijkbaar risico worden geïdentificeerd op basis van andere geloofwaardige bronnen, met name de EU-lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden (zie https://ec.europa.eu/taxation_customs/tax-common-eu-list_en),
  • het uitvoeren van financiële verrichtingen via vennootschappen waarin verscheidene statutaire wijzigingen zijn opgetreden die niet gerechtvaardigd zijn door de economische situatie van de onderneming,
  • de tussenkomst van tussenpersonen die slechts schijnbaar optreden voor rekening van vennootschappen of particulieren die betrokken zijn bij de financiële verrichtingen,
  • het gebruik van tussenrekeningen of rekeningen van titularissen van niet-financiële beroepen als doorsluisrekening, of het aanwenden van complexe vennootschapsstructuren en juridische en financiële constructies die de beheers- en bestuursmechanismen weinig transparant maken, waardoor de identificatie van de uiteindelijke begunstigden en van de banden tussen de oorsprong en de bestemming van de geldmiddelen wordt bemoeilijkt,
  • de internationale dimensie van de financiële verrichtingen zonder duidelijke economische of financiële rechtvaardiging die zich meestal beperken tot het louter transiteren van geldmiddelen die uit het buitenland komen en er weer naar vertrekken, met name wanneer ze met derde landen met een hoog risico worden uitgevoerd,
  • enz.

In overeenstemming met de artikelen 9 en 13 van de Europese verordening betreffende geldovermakingen en onverminderd de andere door deze Europese verordening vereiste maatregelen moeten de betalingsdienstverleners van de begunstigden van de overmaking of de bij de uitvoering van de overmaking betrokken intermediaire betalingsdienstverleners die vaststellen dat vereiste informatie over de betaler of de begunstigde geheel of gedeeltelijk ontbreekt (zie de pagina “Geldovermakingen”) onderzoeken of deze tekortkomingen een vermoeden van WG/FT kunnen doen rijzen. Bijgevolg dienen geldovermakingen die worden ontvangen zonder alle vereiste informatie, te worden behandeld als atypische verrichtingen. 

De opsporing van atypische feiten en verrichtingen vormt ook de eerste fase van het proces dat de financiële instellingen in staat stelt efficiënt mee te werken aan de bestrijding van de financiering van terrorisme, waarvan de specifieke kenmerken het onmogelijk maken een volledige en duurzame lijst op te stellen van de verrichtingen en gedragingen die een melding rechtvaardigen. Om de typologieën in verband met de financiering van terrorisme zo snel mogelijk te kennen en om er rekening mee te kunnen houden, dienen de financiële instellingen zich in die omstandigheden met name te baseren op de documentatie van de bevoegde nationale, Europese en internationale overheden of autoriteiten en op de door de media meegedeelde informatie over personen en de middelen waarmee ze hun terreurdaden financieren. Ze baseren zich ook op nationale en Europese maatregelen voor de bevriezing van tegoeden die in het kader van de strijd tegen de financiering van terrorisme worden genomen.

De NBB nodigt de financiële instellingen met name uit om de activiteitenverslagen van de CFI over de financiering van terrorisme te raadplegen en te voldoen aan de specifieke instructies en aanbevelingen ter zake die de bevoegde nationale autoriteiten aan hen zouden kunnen richten. 

Tegen deze achtergrond kan uit de tot op heden beschikbare openbare informatie worden afgeleid dat de opsporing van atypische verrichtingen die verband kunnen houden met de financiering van terrorisme met name moet worden toegespitst op de identificatie van bepaalde “scenario’s” in verband met de ter zake gekende typologieën, waaronder (niet-exhaustieve lijst):

  • herhaalde transfers van kleine bedragen tussen particulieren zonder duidelijke (familiale, economische) band,
  • een bestemming van geldtransfers die in het licht van het profiel van de zakelijke relatie of de kenmerken en gewoonten van de cliënt atypisch lijkt,
  • giften aan verenigingen zonder winstoogmerk gevolgd door grotere geldtransfers, met name naar het buitenland,
  • kruiselingse stromen van of naar verenigingen,
  • gebruik van in het bijzonder anonieme elektronische geldmiddelen en virtueel geld, meer bepaald wanneer dat virtueel geld in een wettig betaalmiddel wordt omgezet,
  • opening van een bankrekening die snel gevolgd wordt door opnamen in contanten in het buitenland, in gevoelige gebieden of in transitlanden,
  • gebruik van crowdfundingplatforms,
  • gebruik van consumentenkrediet, gevolgd door de opname in contanten van een groot deel van het geleende geld of van het volledige bedrag en/of door overschrijvingen naar het buitenland,
  • opeenvolgende afschaffingen van het maximumbedrag van betaal- of kredietkaarten om opnamen in contanten te verrichten,
  • totale opname (of bijna totale opname waarbij een laag saldo wordt aangehouden) van de tegoeden op de rekeningen of levensverzekeringen,
  • reactivering zonder geloofwaardige verklaring van een rekening of een bankkaart,
  • betaling van losgeld bij ontvoering of diefstal van persoonsgegevens.

De bovenstaande criteria blijven subjectief, maar de cumulatie ervan maakt de informatie relevanter.

Rekening houdend met het toenemend proselitisme met het oog op het ronselen van terroristen in de gevangenis dienen de financiële instellingen ook de zakelijke relaties met gedetineerden grondig te onderzoeken.

In overeenstemming met de bepalingen van Europees recht die aan bepaalde landen beperkende maatregelen opleggen met het oog op de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de financiering ervan, moeten de waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de cliënten, verrichtingen en zakelijke relaties die nodig zijn voor de bestrijding van WG/FT ook ten uitvoer worden gelegd in het kader van de bestrijding van de financiering van de proliferatie van massavernietigingswapens. Bijgevolg moet men onder atypische verrichtingen ook verrichtingen verstaan die verband zouden kunnen houden met de proliferatie van massavernietigingswapens wegens de intrinsieke kenmerken van de verrichting zelf of van de personen die hierbij optreden als cliënt, lasthebber, uiteindelijke begunstigde of tegenpartij, met name door hun banden met de betrokken landen of met personen of entiteiten waarvan bekend is dat zij betrokken zijn bij de proliferatie van massavernietigingswapens.

Om deze “atypische” verrichtingen efficiënt te kunnen opsporen, moeten de financiële instellingen de verrichtingen van de cliënt kunnen toetsen aan de informatie die zij hebben verzameld over diens identiteit en kenmerken, over de identiteit van de uiteindelijke begunstigde(n), over het doel en de aard van zakelijke relatie en van de verrichting en, in voorkomend geval, over de oorsprong van de geldmiddelen.

1.1.2. Atypische feiten

De atypische feiten die moeten worden gemeld aan de AMLCO zijn alle feiten die voornamelijk betrekking hebben op het ongewone gedrag van de cliënt in diens relaties met de aangestelden of agenten van de financiële instelling en die aanwijzingen zouden kunnen zijn van WG/FT.

Het gaat hier niet om de effectieve uitvoering van een specifieke verrichting, maar om eerder algemene feiten waarbij de cliënt of personen met wie hij in contact staat, betrokken zijn.

Voorbeelden van ongewoon gedrag van de cliënt zijn een abnormaal en onverklaarbaar gebrek aan belangstelling voor de voorgestelde financiële voorwaarden, gebrek aan kennis van bepaalde essentiële elementen van de verrichting (bijvoorbeeld het bedrag), de uitvoering van een verrichting (bijvoorbeeld de uitvoering van een elektronische overschrijving of de inning in contanten van het bedrag van de overschrijving) onder het fysiek toezicht van een derde, enz.

Er zij beklemtoond dat deze atypische feiten aan de AMLCO moeten worden gemeld onafhankelijk van de beslissing of de in casu door de cliënt gewenste verrichting op zich al dan niet als atypisch moeten worden beschouwd en ongeacht of deze verrichting al dan niet effectief is uitgevoerd. In dit verband zij opgemerkt dat pogingen tot verrichtingen kunnen worden beschouwd als ongewone feiten die ter kennis van de AMLCO moeten worden gebracht, met name wanneer de cliënt in extremis onverwacht en zonder een geloofwaardige verklaring afziet van de uitvoering van een verrichting zodra hij vaststelt dat hij hiervoor bewezen informatie moet verstrekken over zijn eigen identiteit of die van de uiteindelijke begunstigden, dat hij het doel van de verrichting of de oorsprong van de gebruikte geldmiddelen moet meedelen, enz.

De atypische feiten die aan de AMCLO moeten worden gemeld, kunnen ook het gevolg zijn van het gedrag van verschillende cliënten samen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aangestelde of de agent van de financiële instelling vaststelt dat verschillende personen die beweren onafhankelijk van elkaar te handelen, in korte tijd de uitvoering vragen van gelijksoortige occasionele verrichtingen die afzonderlijk beschouwd niet atypisch lijken, maar waarvan de omstandigheden doen vermoeden dat ze in feite met elkaar verband houden, enz.

Er zij ook opgemerkt dat de artikelen 33, § 1, tweede lid, 34, § 3, tweede lid, en 35, § 2, tweede lid, van de antiwitwaswet bepalen dat wanneer de financiële instellingen niet in staat zijn te voldoen aan hun waakzaamheidsverplichtingen, zij met name overeenkomstig artikel 46 van de Wet dienen te onderzoeken of de oorzaken van dit onvermogen een vermoeden van WG/FT doen rijzen en of er reden is tot melding aan de CFI. Deze situaties moeten bijgevolg ook systematisch worden opgespoord en op dezelfde manier als atypische feiten worden behandeld.

Wat ook als een atypische verrichting moet worden behandeld is de ontvangst van informatie afkomstig van geloofwaardige externe bronnen die de beoordeling van de zakelijke relatie met een cliënt negatief zou kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld wanneer zich nieuwe gebeurtenissen voordoen die het risicoprofiel van de cliënt kunnen beïnvloeden. Dit kan met name het geval zijn wanneer de financiële instelling een vordering van de gerechtelijke autoriteiten of een verzoek om inlichtingen van de CFI ontvangt met betrekking tot de zakelijke relatie met een cliënt of tot de verrichtingen die hij heeft uitgevoerd. De NBB is van oordeel dat de ontvangst van een vordering van een parket met betrekking tot een cliënt van de financiële instelling (of een andere tussenkomst van het gerecht en de politie) een atypisch feit is dat de AMLCO ertoe moet brengen de individuele beoordeling van de aan de cliënten verbonden risico's bij te werken en de door hem uitgevoerde verrichtingen opnieuw te onderzoeken met verhoogde waakzaamheid. Hierbij moet echter voorzichtig te werk worden gegaan om te vermijden dat de cliënt expliciet of impliciet op de hoogte wordt gebracht van het feit dat een analyse naar het witwassen van geld of de financiering van terrorisme aan de gang is of zou kunnen worden opgestart, wat een inbreuk zou zijn op het mededelingsverbod vermeld in artikel 55 van de antiwitwaswet. Bij ontvangst van vorderingen van de gerechtelijke autoriteiten moet bovendien schending van de geheimhouding zoals bepaald in artikel 46quater, § 3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering worden vermeden. Hetzelfde kan gebeuren wanneer in de media feiten verschijnen die de beoordeling van de zakelijke relatie van de financiële instelling met de cliënt negatief kan beïnvloeden.

Evenzo is de Bank van oordeel dat de financiële instellingen, in aanvulling op de verplichtingen inzake de bevriezing van tegoeden (zie de pagina “Financiële embargo’s en bevriezing van tegoeden”), wanneer zij vaststellen dat een cliënt, een lasthebber of een uiteindelijke begunstigde van een cliënt is opgenomen op de Belgische lijst of een Europese lijst van personen waarvan de tegoeden verplicht zijn bevroren, het risicoprofiel van de cliënt dienen te herzien op basis van deze informatie. In dat geval dient de individuele beoordeling van de aan de cliënt verbonden risico’s te worden bijgewerkt en moeten de door hem uitgevoerde verrichtingen opnieuw worden onderzocht met verhoogde waakzaamheid.

1.1.3. Operationele verplichtingen verbonden aan de opsporing van atypische feiten en verrichtingen

Om atypische feiten en verrichtingen efficiënt te kunnen opsporen en in overeenstemming met de artikelen 16 en 17 van het antiwitwasreglement van de NBB moeten de financiële instellingen:

(i) indicatoren/criteria vaststellen voor de identificatie van atypische feiten en verrichtingen;

(iii) een systeem opzetten voor de opsporing van atypische feiten en verrichtingen met toezicht a priori en a posteriori op basis van de voornoemde indicatoren/criteria;

(iii) een procedure uitwerken voor de melding van atypische feiten en verrichtingen aan de AMLCO.

1.2. Vooraf vastgestelde indicatoren/criteria voor de identificatie van atypische feiten en verrichtingen

Elke financiële instelling moet zelf bepalen, op basis van haar algemene risicobeoordeling en van alle nuttige informatie, met name de door de CFI gepubliceerde WG/FT-typologieën, welke indicatoren/criteria ertoe leiden dat deze feiten of verrichtingen als atypisch worden aangemerkt (artikel 16, 1°, van het reglement van de NBB).

Deze indicatoren moeten formeel worden vastgelegd in de interne procedure betreffende de waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relaties en de verrichtingen (artikel 16, 2°, van het reglement van de NBB).

Niettemin is de NBB van oordeel dat deze lijst van criteria altijd minstens criteria moet bevatten betreffende:

  • de objectieve kenmerken van de verrichtingen (bv. abnormaal complexe of ongebruikelijk grote verrichtingen);
  • de kenmerken van de cliënt (bv. verrichtingen in contanten die betrekking hebben op aanzienlijke bedragen die niet lijken te kunnen worden verklaard door de beroepsactiviteit van de cliënt);
  • de concrete omstandigheden waarin de verrichting werd uitgevoerd (bv. een elektronische geldoverschrijving waarbij de cliënt het bedrag van de overschrijving in contanten onder toezicht van een derde lijkt te innen, nieuwe informatie afkomstig van geloofwaardige externe bronnen). 

De NBB is van mening dat, indien een financiële instelling niet kan aantonen dat ze passende indicatoren heeft uitgewerkt om het atypisch karakter van de feiten en verrichtingen van cliënten te beoordelen, zij ernstig tekortschiet in haar verplichting tot doorlopende waakzaamheid.

1.3. Systeem voor de opsporing van atypische feiten en verrichtingen

Teneinde te voldoen aan de verplichting de uitgevoerde verrichtingen aandachtig te onderzoeken om het atypisch karakter te identificeren, moeten de financiële instellingen een systeem opzetten voor de monitoring en de analyse van de occasionele verrichtingen en zakelijke relaties. Dit systeem moet berusten op twee soorten toezicht:

  1. toezicht a priori dat wordt uitgeoefend door de personen die binnen de financiële instelling rechtstreeks in contact komen met de cliënten en hun verrichtingen; en
  2. toezicht a posteriori op alle verrichtingen die worden uitgevoerd met de medewerking van de financiële instelling. In de meeste gevallen neemt dit toezicht de vorm aan van een aanvullend geautomatiseerd toezichtssysteem dat geen afbreuk doet aan het toezicht dat kan worden uitgeoefend in real time, met name in het kader van de toepassing van de Europese verordening betreffende geldovermakingen.

1.3.1. Toezicht a priori door de personen die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die belast zijn met de uitvoering van hun verrichtingen

Wanneer de financiële instelling, om zakelijke relaties aan te knopen met of verrichtingen uit te voeren voor cliënten, met deze laatste in contact komt via haar aangestelden, haar agenten en, voor instellingen voor elektronisch geld, haar distributeurs die rechtstreeks in contact staan met die cliënten of die belast zijn met de uitvoering van hun verrichtingen, kan de opsporing van atypische verrichtingen doorgaans in de eerste plaats aan die personen worden toevertrouwd.  Zij moeten derhalve door de interne procedures van de financiële instelling worden belast met de bevordering van de doorlopende waakzaamheid, teneinde atypische verrichtingen en feiten op te sporen en te melden aan de AMLCO zodra zij daarvan op de hoogte zijn.

Om hun taken op dit gebied volledig en efficiënt te kunnen uitvoeren, moeten deze personen kunnen beschikken over de in punt 1.2. hierboven bedoelde lijst van indicatoren/criteria. Daarnaast moet de AMLCO ervoor zorgen dat aan deze personen een (theoretische en praktijk-) opleiding over deze indicatoren wordt gegeven, zodat kan worden gewaarborgd dat deze goed worden begrepen en gemakkelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd.

Wanneer de financiële instelling een beroep doet op agenten of, in het geval van een instelling voor elektronisch geld, op distributeurs, moet zij de naleving van de instructies ter zake verzekeren in het kader van haar internecontrolesysteem.

Voor meer informatie over deze onderwerpen wordt verwezen naar de pagina’s “Gedragslijnen, procedures, processen en internecontrolemaatregelen” en “Opleiding en sensibilisering van het personeel”.

1.3.2. Toezicht a posteriori door een toezichtssysteem

Overeenkomstig artikel 17 van het antiwitwasreglement van de NBB moeten de financiële instellingen gebruikmaken van een toezichtssysteem voor de opsporing van atypische verrichtingen die in voorkomend geval mogelijk niet werden opgespoord door de personen die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die belast zijn met de uitvoering van hun verrichtingen. Er zij opgemerkt dat in bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de cliënt zijn verrichtingen rechtstreeks via internet kan initiëren zonder tussenkomst van een personeelslid, een agent of een distributeur van de financiële instelling, atypische verrichtingen enkel kunnen worden opgespoord via het toezicht a posteriori, waarvan de efficiëntie dus van essentieel belang is.

Dit toezichtssysteem moet:

  1. betrekking hebben op alle rekeningen en overeenkomsten van de cliënten en op alle verrichtingen die zijn uitgevoerd met de medewerking van de financiële instelling;
  2. gebaseerd zijn op nauwkeurige en relevante criteria die voornamelijk rekening houden met de kenmerken van het cliënteel van de instelling, met de aangeboden producten, diensten of verrichtingen, met de betrokken landen of geografische gebieden, en met de leveringskanalen waarop ze een beroep doet, en die voldoende verfijnd zijn om atypische verrichtingen effectief te kunnen opsporen;
  3. een snelle opsporing van dergelijke verrichtingen mogelijk maken;
  4. geautomatiseerd zijn, behalve als de financiële instelling kan aantonen dat dit niet vereist is gezien de aard, het aantal en het volume van de verrichtingen waarop toezicht moet worden gehouden (zie hieronder);
  5. eerst aan een valideringsprocedure worden onderworpen en daarna geregeld opnieuw op zijn relevantie worden onderzocht, zodat het, indien nodig, kan worden aangepast aan de ontwikkeling van het cliënteel waartoe de financiële instelling zich richt, van de door haar aangeboden producten, diensten of verrichtingen, van de betrokken landen en geografische gebieden, en van de leveringskanalen waarop ze een beroep doet.

Wat betreft de in punt 2 hierboven bedoelde parameters, moeten de gehanteerde criteria ook rekening houden met het specifieke WG/FT-risico dat verbonden is aan de verrichtingen die worden uitgevoerd door cliënten van wie de acceptatie aan striktere regels is onderworpen op grond van het cliëntacceptatiebeleid. De NBB vestigt de aandacht op het feit dat deze parameters er uitsluitend toe mogen strekken een efficiënte en onderscheidende opsporing van de atypische verrichtingen te waarborgen en dus niet voornamelijk mogen worden opgesteld afhankelijk van de middelen die de financiële instelling in abstracto bereid is toe te kennen aan de analyse van de meldingen die door het systeem worden gegenereerd.

De NBB beveelt derhalve aan om de parameters vast te stellen op basis van de risicoclassificatie en het profiel van de zakelijke relaties en aan te passen aan de verrichtingen die door de instelling worden uitgevoerd (alarmdrempels afhankelijk van de elementen van de zakelijke relatie, inachtneming van alle verrichtingen die worden uitgevoerd in verband met de overeenkomsten of rekeningen). De parameters moeten ook regelmatig worden bijgewerkt, met name gelet op de risicoclassificatie. Aldus kunnen deze parameters niet uitsluitend berusten op een bedrag aan verrichtingen zonder rekening te houden met de classificatie van de cliënten of met de kennis van de zakelijke relatie.

Krachtens het tweede lid, 4°, van artikel 17 van het antiwitwasreglement van de NBB moet het systeem voor de opsporing a posteriori van atypische verrichtingen niet geautomatiseerd zijn als dit niet vereist is gezien de aard, het aantal en het volume van de verrichtingen waarop toezicht moet worden gehouden. De NBB is van oordeel dat deze afwijking met de nodige voorzichtigheid moet worden toegepast, en dat de instelling moet bewijzen – zowel op theoretisch vlak ab initio als later op basis van de ervaring die zij heeft verworven bij de tenuitvoerlegging van het alternatieve, niet-geautomatiseerde systeem voor de opsporing a posteriori – dat deze afwijking inderdaad een efficiënte en onderscheidende opsporing a posteriori van de niet a priori opgespoorde atypische verrichtingen mogelijk maakt. De NBB is ook van mening dat de adviezen van de hooggeplaatste leidinggevende en van de AMLCO doorslaggevend moeten zijn voor de beslissing om een dergelijk alternatief systeem in te voeren en te handhaven. Zij verwacht bovendien dat het hierboven bedoelde bewijs schriftelijk wordt vastgelegd en haar onverwijld op eerste verzoek kan worden bezorgd.

Het systeem voor de opsporing a posteriori van atypische verrichtingen is van cruciaal belang voor het vermogen van de financiële instelling om atypische verrichtingen te onderwerpen aan de analyse die nodig is om te bepalen of ze verdacht zijn en dus aan de CTIF moeten worden gemeld. De NBB verwacht derhalve dat de financiële instellingen bijzondere aandacht besteden aan het periodiek toezicht op de efficiëntie van het ten uitvoer gelegde systeem, ongeacht of het gaat om een geautomatiseerd of een alternatief, niet-geautomatiseerd systeem, en dat zij de in dit verband vastgestelde tekortkomingen zo snel mogelijk verhelpen.

1.4. Procedure voor melding aan de AMLCO

Wanneer atypisch feiten of verrichtingen worden gedetecteerd, zowel in het kader van het toezicht a priori als van het toezicht a posteriori, is het van essentieel belang dat deze onverwijld aan de AMLCO worden gemeld zodat deze laatste binnen de wettelijk vereiste termijnen de taken kan vervullen die hem door artikel 45 van de antiwitwaswet zijn toegekend inzake de analyse van atypische feiten of verrichtingen of melding aan de CFI. Het mechanisme voor melding aan de AMLCO is in fine bedoeld om de financiële instelling in staat te stellen te voldoen aan haar verplichtingen betreffende de melding van vermoedens aan de AMLCO. In beginsel moeten vermoedens worden gemeld aan de CFI voordat de betrokken verrichtingen worden uitgevoerd. Slechts wanneer dit onmogelijk is, dient de verrichting onmiddellijk na de uitvoering ervan aan de CFI te worden gemeld. Bijgevolg moet de procedure voor de melding van atypische feiten en verrichtingen aan de AMLCO uitermate efficiënt zijn.

Om die reden verwacht de NBB dat de financiële instellingen in hun procedure vastleggen dat meldingen:

  1. zo snel mogelijk moeten worden verstuurd naar de AMLCO;
  2. moeten vermelden waarom de betrokken verrichting als atypisch wordt beschouwd; en
  3. zo volledig mogelijk moeten worden gedocumenteerd om de voorafgaande analyse en de analyse door de AMLCO mogelijk te maken.

Zoals eerder vermeld, bepalen de artikelen 33, § 1, tweede lid, 34, § 3, tweede lid, en 35, § 2, tweede lid, van de antiwitwaswet dat, wanneer de financiële instellingen niet in staat zijn te voldoen aan hun waakzaamheidsverplichtingen, zij met name overeenkomstig artikel 46 van de Wet dienen te onderzoeken of de oorzaken van dit onvermogen een vermoeden van WG/FT doen rijzen en of er reden is tot melding aan de CFI. Om deze wettelijke verplichting te kunnen vervullen, moet de hier toegelichte procedure voor melding aan de AMLCO ook in die gevallen worden toegepast.

Deze meldingen kunnen intern via e-mail of een ander kanaal worden verstuurd. In dringende gevallen kunnen telefonische meldingen nuttig zijn. Zulke mondelinge meldingen moeten echter systematisch onverwijld schriftelijk worden bevestigd, in voorkomend geval via e-mail.  De NBB verwacht dat de financiële instellingen een systeem invoeren voor de archivering van de verschillende uitgevoerde meldingen zodat kan worden toegezien op de efficiëntie en de relevantie van het meldingsproces. De in artikel 8 van de antiwitwaswet bedoelde interne procedures moeten een beschrijving bevatten van de praktische modaliteiten die moeten worden nageleefd voor meldingen aan de AMLCO, indien wenselijk met een onderscheid naargelang het type toezicht dat wordt uitgeoefend (a priori of a posteriori).

Voorts verwacht de NBB dat de door de Wet vereiste opleiding van het personeel (zie de pagina “Opleiding en sensibilisering van het personeel”) waarborgt dat de personen die bij de uitoefening van hun functies dergelijke meldingen zouden moeten verrichten, volledig op de hoogte zijn van deze procedure.

Voor de stappen die volgen op de overdracht van een melding aan de AMLCO wordt verwezen naar de pagina “Analyse van atypische verrichtingen”, waar een beschrijving wordt gegeven van het proces dat de AMLCO moet volgen bij de voorafgaande analyse en vervolgens, in voorkomend geval, bij de analyse.

1.5. Bescherming van personen die intern feiten of verrichtingen melden die zij als atypisch beschouwen

Zoals eerder vermeld, berusten de mechanismen voor de opsporing van atypische feiten en verrichtingen en van gevallen waarin de financiële instelling niet in staat is te voldoen aan haar waakzaamheidsverplichtingen, voornamelijk op de oplettendheid en de kritische geest van de personen die in contact komen met de cliënten en hun verrichtingen. Voor de doeltreffendheid van deze mechanismen is het van belang dat die personen niet bang zijn om binnen de financiële instelling te worden gestraft omdat zij een dergelijke verrichting of een dergelijke toestand hebben gemeld aan de AMLCO. Ze moeten eveneens worden beschermd tegen elke bedreiging of tegen elke daad van agressie van buitenaf, met name wanneer die uitgaat van de betrokken cliënt of van personen die banden met hem hebben.

Derhalve moeten de financiële instellingen overeenkomstig artikel 36 van de antiwitwaswet redelijke maatregelen nemen om hun personeelsleden, hun agenten of, in het geval van instellingen voor elektronisch geld, hun distributeurs, die een verrichting melden die ze als atypisch beschouwen, te beschermen tegen bedreigingen of daden van agressie, waaronder tegen nadelig of discriminerend optreden van de werkgever.

Concreet beveelt de NBB de financiële instellingen aan maatregelen in te voeren om te waarborgen dat de identiteit van zowel de personen die atypische feiten en verrichtingen hebben gemeld als van de personen die betrokken waren bij de verzameling en het onderzoek van gerelateerde informatie, binnen de financiële instelling en a fortiori daarbuiten enkel gekend is door de personen voor wie deze informatie noodzakelijk of nuttig is om hun taken inzake SWG/FT uit te voeren.

2. Bijwerking van de gegevens of informatie en van de individuele risicobeoordeling

2.1. Bijwerking van de gegevens of informatie

De verplichting tot doorlopende waakzaamheid impliceert in de tweede plaats dat de financiële instellingen moeten zorgen voor de bijwerking van de gegevens of informatie waarover ze beschikken ingevolge de verplichting tot identificatie en identiteitsverificatie en van de verplichting tot identificatie van de kenmerken van de cliënt en van het doel en de aard van de zakelijke relatie of de occasionele verrichting. 

Deze bijwerkingsverplichting is een basisvoorwaarde voor de opsporing van atypische verrichtingen: indien men niet kan steunen op actuele informatie, kan het zijn dat de hierboven beschreven maatregelen voor doorlopende waakzaamheid ten aanzien van de verrichtingen niet toelaten om het atypische karakter van bepaalde van deze verrichtingen te identificeren of, omgekeerd, dat verrichtingen onnodig als atypisch worden behandeld terwijl ze zouden worden beschouwd als verrichtingen die geen bijzondere aandacht vereisen als de informatie waarover de financiële instelling beschikt, was bijgewerkt.

De voornoemde bijwerkingsverplichting moet in principe in werking treden zodra er wijzigingen worden aangebracht aan relevante elementen die in het kader van de individuele risicobeoordeling in aanmerking worden genomen. Niettemin blijft deze verplichting onderworpen aan de risicogebaseerde benadering. Bijgevolg moeten de maatregelen die de financiële instellingen nemen om te voldoen aan deze verplichting, in verhouding staan tot het risico dat is geïdentificeerd in het kader van de individuele risicobeoordeling bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, van de antiwitwaswet. Er zij echter opgemerkt dat de bijwerking van de gegevens en informatie van bijzonder belang is wanneer blijkt dat elementen die relevant zijn voor de individuele risicobeoordeling niet langer actueel zijn. De financiële instellingen moeten ook rekening houden met de uit die situatie voorvloeiende potentiële verhoging van het WG/FT-risiconiveau om te bepalen welke maatregelen zij zullen nemen om de gegevens en de informatie bij te werken.

Overeenkomstig het tweede lid van artikel 35, § 1, van de antiwitwaswet moeten alle bij de oorspronkelijke identificatie verzamelde gegevens worden bijgewerkt, en niet enkel een deel ervan. Evenmin mag de verificatie van de bijgewerkte gegevens beperkter zijn dan die van de oorspronkelijke identificatiegegevens.

De verplichting van de financiële instellingen om de informatie die zij bezitten over hun cliënten bij te werken, houdt overigens ook in dat zij maatregelen nemen die hen in staat stellen om onder hun cliënten de personen te identificeren waarvan de individuele situatie zo is veranderd dat zij onder het toepassingsgebied vallen van de artikelen 37 tot 41 van de antiwitwaswet, die bepalen in welke gevallen de Wet specifieke maatregelen van verhoogde waakzaamheid vereist (zie de pagina “Bijzondere gevallen van verhoogde waakzaamheid”). Dit is met name het geval voor cliënten die politiek prominente personen (“PPP’s”), familieleden van een PPP of personen bekend als naaste geassocieerden van een PPP zijn geworden. Er zij verwezen naar de pagina “Politiek prominente personen” voor meer informatie over de maatregelen van verhoogde waakzaamheid die vereist zijn bij de identificatie van een PPP.

Naast de vereisten geformuleerd in artikel 35, § 1, 2°, van de antiwitwaswet kunnen de financiële instellingen het nuttig achten om de informatie in hun bezit periodiek opnieuw te onderzoeken om te waarborgen dat ze nog steeds actueel is. Een dergelijke periodieke herziening kan met name in gevallen van hoog risico aangewezen lijken. Er zij echter opgemerkt dat dit een aanvullende voorzorgsmaatregel is die de financiële instelling niet vrijstelt van de verplichting om, vóór de datum van de volgende herziening die op grond van de interne procedure is gepland, de informatie in haar bezit bij te werken wanneer zij kennis heeft of niet onwetend kan zijn van het feit dat “elementen die relevant zijn voor de individuele risicobeoordeling bedoeld in artikel 19 worden gewijzigd”.

2.2. Bijwerking van de individuele risicobeoordeling

Zoals reeds vermeld, wordt in artikel 35, § 1, vierde lid, van de antiwitwaswet bepaald dat het voor de bijwerking van de verzamelde informatie nodig kan zijn om ook de individuele risicobeoordeling bij te werken en, in voorkomend geval, om de reikwijdte of de modaliteiten van de getroffen waakzaamheidsmaatregelen aan te passen.

Zo kunnen het risicoprofiel van de cliënt en, bijgevolg, de aard en de intensiteit van de maatregelen van doorlopende waakzaamheid die ten aanzien van de door hem uitgevoerde verrichtingen moeten worden getroffen, in grote mate worden beïnvloed door, bijvoorbeeld, wezenlijke veranderingen met betrekking tot de directie of de uiteindelijke begunstigden van cliëntinstellingen, de activiteiten of de sociaaleconomische categorie van de cliënt, het aanknopen of verbreken van banden met landen met een hoog risico of met landen zonder of met een lage belasting, de recente uitoefening van prominente publieke functies of, omgekeerd, het neerleggen van dergelijke functies meer dan 12 maanden geleden, de uitbreiding van het gebruik door de cliënt, in het kader van een bestaande zakelijke relatie, van producten of diensten waaraan volgens de algemene risicobeoordeling een groter risico is verbonden of, omgekeerd, de beëindiging van het gebruik van deze diensten, enz.

Er zij echter opgemerkt dat de bijwerking van de individuele risicobeoordeling kan worden vereist als gevolg van “atypische feiten” zoals de ontvangst van informatie afkomstig van geloofwaardige externe bronnen. Dit is het geval wanneer zich nieuwe gebeurtenissen voordoen die het risicoprofiel van de cliënt kunnen beïnvloeden. Dit kan met name het geval zijn wanneer de financiële instelling een vordering van de gerechtelijke autoriteiten of een verzoek om inlichtingen van de CFI ontvangt met betrekking tot de zakelijke relatie met een cliënt of tot de verrichtingen die hij heeft uitgevoerd (zie punt 1.1 hierboven).

Er wordt bovendien benadrukt dat een financiële instelling die met toepassing van artikel 47 van de antiwitwaswet een vermoeden heeft gemeld, hierna krachtens artikel 22 van het antiwitwasreglement van de NBB een nieuwe individuele beoordeling van de WG/FT-risico’s dient uit te voeren overeenkomstig artikel 19, § 2, van de Wet, waarbij ze met name rekening houdt met de omstandigheid dat er in verband met de betrokken cliënt een vermoeden werd gemeld, om te beslissen of ze de zakelijke relatie ofwel voortzet, in welk geval ze waakzaamheidsmaatregelen ten uitvoer legt die zijn aangepast aan de opnieuw beoordeelde risico's, ofwel beëindigt (in dit verband wordt verwezen naar de pagina “Melding van vermoedens”). Dit wordt ook verwacht wanneer vorderingen van gerechtelijke autoriteiten worden ontvangen.

Tot slot zij eraan herinnerd dat het voor de bijwerking van de algemene risicobeoordeling overeenkomstig artikel 17 van de antiwitwaswet nodig kan zijn ook de individuele risicobeoordeling bij te werken.

3. Onvermogen om doorlopende waakzaamheid uit te oefenen

In artikel 35, § 2, van de antiwitwaswet wordt beschreven wat de gevolgen zijn van de niet-naleving van de verplichting tot doorlopende waakzaamheid.

Aangezien deze verplichting gedurende de volledige zakelijke relatie moet worden nageleefd, wordt in de antiwitwaswet een onderscheid gemaakt tussen toekomstige cliënten en bestaande cliënten.

3.1. Ten aanzien van toekomstige cliënten

Naast de gevallen waarin de financiële instelling niet in staat is om de bij de zakelijke relatie of de occasionele verrichting betrokken personen te identificeren en hun identiteit te verifiëren binnen de vereiste termijn (zie de pagina “Niet-nakoming van de verplichting tot identificatie en identiteitsverificatie”) of om de nodige informatie te verzamelen om de kenmerken van de cliënt en het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie of de verrichting te begrijpen (zie de pagina “Identificatie van de kenmerken van de cliënt en van het doel en de aard van de zakelijke relatie of van de occasionele verrichting”), is het krachtens de Wet ook verboden om een zakelijke relatie aan te knopen met of een verrichting uit te voeren voor een cliënt wanneer de financiële instelling van tevoren redenen heeft om te menen dat zij niet zal kunnen voldoen aan haar verplichtingen om doorlopende waakzaamheid aan de dag te leggen ten aanzien van de zakelijke relatie en van de verrichtingen van deze potentiële cliënt.

Voor occasionele verrichtingen is het onvermogen om de verrichting aandachtig te onderzoeken doorgaans het gevolg van het onvermogen om de betrokken personen te identificeren en hun identiteit te verifiëren en/of om de kenmerken van de cliënt of het doel en de aard van de verrichting te identificeren.

Voor zakelijke relaties die de financiële instelling van plan is om aan te knopen, geldt het verbod wanneer zij redenen heeft om vanaf het begin aan te nemen dat ze niet in staat zal zijn te voldoen aan haar toekomstige verplichtingen om de identificatie en de verificatie van de identiteit van de betrokken personen te actualiseren, om de informatie in haar bezit betreffende de kenmerken van de cliënt of het doel en de aard van de zakelijke relatie bij te werken of om de door cliënt tijdens de zakelijke relatie uitgevoerde verrichtingen te onderwerpen aan het vereiste aandachtige onderzoek. 

De weigering om een zakelijke relatie aan te knopen met een potentiële cliënt of om een door hem gewenste occasionele verrichting uit te voeren, dient op een correcte wijze te worden gerechtvaardigd. De financiële instelling mag dit niet gebruiken als middel om bepaalde categorieën van cliënten te discrimineren (zie de pagina “Waakzaamheidsverplichtingen en naleving van andere wetgevingen”).

3.2. Ten aanzien van bestaande cliënten

Wanneer de financiële instelling tijdens een zakelijke relatie vaststelt dat zij niet langer kan voldoen aan haar verplichting tot doorlopende waakzaamheid ten aanzien van de door de cliënt uitgevoerde verrichtingen of dat zij de gegevens en informatie over de betrokken personen of de kenmerken van de zakelijke relatie niet langer kan bijwerken, is zij wettelijk verplicht om deze relatie te beëindigen.  Met toepassing van artikel 33, § 1, derde lid, van de antiwitwaswet kunnen de financiële instellingen echter andere beperkende maatregelen toepassen dan de beëindiging van de zakelijke relatie, in specifieke gevallen die nader worden toegelicht in artikel 15 van het antiwitwasreglement van de NBB:

  • in het geval van een levensverzekeringsovereenkomst waarvan de eenzijdige opzegging strijdig is met andere bindende wettelijke of reglementaire bepalingen of bepalingen van openbare orde, bestaan de toe te passen alternatieve beperkende maatregelen erin de betaling van aanvullende premies door de verzekeringnemer te weigeren, onverminderd de gevolgen die overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen aan de niet-betaling van een premie zijn verbonden (artikel 15, eerste lid, 1° van het reglement);
  • in het geval van een leningsovereenkomst waarvan de eenzijdige beëindiging de onderworpen financiële instelling zou blootstellen aan een ernstig en onevenredig nadeel, bestaan de toe te passen alternatieve beperkende maatregelen erin te weigeren het geleende bedrag te verhogen en de zakelijke relatie zo spoedig mogelijk te beëindigen (artikel 15, eerste lid, 2° van het reglement). Voorbeelden van een ernstig en onevenredig nadeel zijn de onmogelijkheid in de praktijk om de terugbetaling van aanzienlijke bedragen te verkrijgen of het verlies van de winst van de reële of persoonlijke waarborgen die van toepassing zijn op de lening. De financiële instelling moet bovendien de eerste gepaste gelegenheid aangrijpen om de lening zonder nadeel te beëindigen.

De NBB is van mening dat de beslissing om de alternatieve beperkende maatregelen toe te passen, van geval tot geval schriftelijk dient te worden gemotiveerd:

  • voor andere beperkende maatregelen dan de beëindiging van levensverzekeringsovereenkomsten moet deze motivering aantonen dat is nagegaan of de geldende wetgeving de verzekeringsonderneming niet toelaat de overeenkomst eenzijdig te beëindigen;
  • andere beperkende maatregelen dan de beëindiging van een lening mogen krachtens artikel 15, eerste lid, 2° van het antiwitwasreglement van de NBB echter alleen worden toegepast wanneer de eenzijdige beëindiging van de lening de onderworpen financiële instelling zou blootstellen aan een ernstig en onevenredig nadeel. De NBB is bijgevolg van oordeel dat de beslissing om deze maatregelen toe te passen, schriftelijk dient te worden gemotiveerd van geval tot geval. Deze schriftelijke motivering moet een schatting bevatten van het nadeel waaraan de financiële instelling zou worden blootgesteld als gevolg van een dergelijke eenzijdige beëindiging, teneinde het ernstig en onevenredig karakter ervan aan te tonen, en moet vermelden op welke toekomstige datum of door welke toekomstige gebeurtenis de instelling de zakelijke relatie onverwijld kan beëindigen zonder te worden blootgesteld aan het voornoemd ernstig en onevenredig nadeel.

In al deze gevallen moet de financiële instelling bovendien de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat ze geen enkele zakelijke relatie aanknoopt met of occasionele verrichting uitvoert voor de betrokken cliënt.

Ten aanzien van de zakelijke relatie waarvoor de alternatieve beperkende maatregelen worden getroffen, moet de financiële instelling overeenkomstig artikel 37, § 2 van de antiwitwaswet tevens een verhoogde waakzaamheid aan de dag leggen die overeenkomstig artikel 19, § 2 van de antiwitwaswet evenredig is met het opnieuw beoordeelde risiconiveau, rekening houdend met het feit dat deze relatie niet beëindigd is (zie de pagina “Bijzondere gevallen van verhoogde waakzaamheid”). Deze verhoogde waakzaamheid moet de instelling ook in staat stellen te waarborgen dat de beperkende maatregelen effectief worden toegepast en dat eventuele leningen zo snel mogelijk worden beëindigd.

De modaliteiten voor de tenuitvoerlegging van alternatieve beperkende maatregelen moeten duidelijk worden vastgelegd in de interne procedures van de financiële instelling (zie de pagina “Gedragslijnen, procedures, processen en internecontrolemaatregelen”).

3.3 Melding aan de AMLCO

Overeenkomstig artikel 46 van de antiwitwaswet moeten de financiële instellingen ook onderzoeken of de CFI in kennis gesteld moet worden van de hierboven bedoelde gevallen waarin niet kon worden voldaan aan de verplichting tot doorlopende waakzaamheid, wanneer dit onvermogen een aanwijzing voor WG/FT kan zijn. Dit betekent dat dit onvermogen moet worden vastgesteld binnen de financiële instelling en aan de AMLCO moet worden gemeld (zie de hoofdstukken 1.1. en 1.3. hierboven). De modaliteiten voor deze vaststelling en voor de melding moeten duidelijk worden vastgelegd in de interne procedures van de financiële instelling (zie de pagina “Gedragslijnen, procedures, processen en internecontrolemaatregelen”).

4. Internecontrolemaatregelen

Van de financiële instellingen wordt verwacht dat ze periodiek nagaan of de interne procedures inzake waakzaamheid ten aanzien van de cliënten en de verrichtingen doorlopend worden nageleefd en dat de procedures voor de tenuitvoerlegging van de verplichtingen tot doorlopende waakzaamheid (onderzoek van de verrichtingen en bijwerking van de informatie) passend zijn. 

Zo raadt de NBB de interneauditfunctie aan om bijzondere aandacht te besteden aan: 

  • de geschiktheid van de indicatoren/criteria die door de financiële instelling zijn vastgesteld om de personen die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die belast zijn met de uitvoering van hun verrichtingen, in staat te stellen atypische feiten en verrichtingen op te sporen;
  • de efficiëntie van het systeem dat is ingevoerd voor de opsporing a priori van atypische feiten en verrichtingen, onder meer rekening houdend met het aantal gegenereerde waarschuwingen;
  • de efficiëntie van het systeem dat is ingevoerd voor de opsporing a posteriori en, in het bijzonder, de geschiktheid van de parameters van het geautomatiseerde toezichtssysteem, onder meer rekening houdend met het aantal gegenereerde waarschuwingen;
  • de adequaatheid van de bijwerking van de informatie waarover de financiële instelling beschikt ingevolge de verplichting tot identificatie en identiteitsverificatie en tot identificatie van de kenmerken van de cliënt en van het doel en de aard van de zakelijke relatie;
  • de gepastheid van de maatregelen die zijn genomen ter bescherming van de personen die intern een feit of een verrichting melden die zij als atypisch beschouwen.