Politiek prominente personen (PPP’s): Commentaar en aanbevelingen van de NBB

Overeenkomstig artikel 41 van de antiwitwaswet moeten financiële instellingen maatregelen van verhoogde waakzaamheid nemen wanneer ze occasionele verrichtingen uitvoeren voor of zakelijke relaties aanknopen met politiek prominente personen (PPP’s), met familieleden van deze personen of met personen die bekend zijn als naaste geassocieerden van deze personen.  Hierna volgen commentaar en aanbevelingen van de NBB betreffende de door deze wettelijke bepaling beoogde personen (zie punt 1), het op te zetten systeem om PPP’s te identificeren (zie punt 2), de te nemen maatregelen van verhoogde waakzaamheid (zie punt 3) en de toe te passen interne controlemaatregelen (zie punt 4).

1. Beoogde personen

De in artikel 41 van de antiwitwaswet bedoelde verhoogde waakzaamheid is van toepassing op drie categorieën van personen: (i) PPP’s, (ii) familieleden van PPP’s en (iii) personen bekend als naaste geassocieerden van PPP’s.  De antiwitwaswet verduidelijkt de criteria die bepalen in welke omstandigheden iemand als PPP dient te worden beschouwd, hetzij als gevolg van de prominente publieke functies die hij bekleedt of heeft bekleed, hetzij als naast familielid van iemand die zulke functies bekleedt of heeft bekleed, hetzij omdat hij erom bekendstaat een naaste geassocieerde te zijn van iemand die zulke functies bekleedt of heeft bekleed.

1.1. PPP’s

PPP’s zijn personen die zijn blootgesteld aan bijzondere risico’s als gevolg van de prominente publieke (politieke, gerechtelijke of administratieve) functies die zij uitoefenen of hebben uitgeoefend. Er zij op gewezen dat, terwijl het begrip PPP in de wet van 11 januari 1993 beperkt werd tot personen die in het buitenland verblijven, het in de antiwitwaswet ook PPP's omvat die in België verblijven. Er wordt dus geen onderscheid meer gemaakt naargelang de PPP in België, in een lidstaat van de EER of in een derde land verblijft. Er zij ook opgemerkt dat het begrip PPP betrekking heeft op prominente publieke functies en niet op middelbare of lagere functies.

Meer in het bijzonder wordt het begrip ‘PPP’ in artikel 4, 28° van de antiwitwaswet gedefinieerd als een natuurlijk persoon die een prominente publieke functie bekleedt of bekleed heeft (geen middelbare of lagere ambtenaren), met name (niet-exhaustieve lijst):

  1. staatshoofden, regeringsleiders, ministers en staatssecretarissen;
  2. parlementsleden en leden van soortgelijke wetgevende organen;
  3. leden van bestuurslichamen van politieke partijen;
  4. leden van hooggerechtshoven, grondwettelijke hoven of van andere hoge rechterlijke instanties, met inbegrip van administratieve rechterlijke instanties, die arresten wijzen waartegen geen beroep openstaat, behalve in uitzonderlijke omstandigheden;
  5. leden van rekenkamers of van raden van bestuur van centrale banken;
  6. ambassadeurs, consuls, zaakgelastigden en hoge officieren van de strijdkrachten;
  7. leden van bestuursorganen, leidinggevende of toezichthoudende organen van overheidsbedrijven;
  8. bestuurders, plaatsvervangend bestuurders en leden van de raad van bestuur of bekleders van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie. Internationale organisaties worden in artikel 4, 32° van de Wet gedefinieerd als middelen- of belangenassociaties die worden opgericht bij een internationale overeenkomst tussen Staten, in voorkomend geval voorzien van gemeenschappelijke organen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en onderworpen zijn aan een rechtsstelsel onderscheiden van dat van de leden.

Om de praktische toepassing van deze definitie te vergemakkelijken en een grotere rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de identificatie van politiek prominente personen in de Europese Unie, schrijft Richtlijn 2015/849 bovendien voor dat elke EER-lidstaat (i) een lijst opstelt met de exacte functies die overeenkomstig zijn nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen als prominente publieke functies worden aangemerkt, en die lijst up-to-date houdt, en (ii) elke internationale organisatie die op zijn grondgebied geaccrediteerd is, verzoekt een lijst van prominente publieke functies bij die internationale organisatie op te stellen en up-to-date te houden. Die lijsten kunnen openbaar worden gemaakt en moeten aan de Europese Commissie worden toegezonden. Deze laatste stelt op basis van de lijsten die zij van alle lidstaten heeft ontvangen en van haar eigen lijst, één lijst op van de betrokken functies en maakt deze openbaar.

De lijst van de exacte functies die aldus door België als prominente publieke functies worden aangemerkt, is opgenomen in Bijlage IV bij de antiwitwaswet.

Op grond van artikel 41, § 4, van de Wet, in combinatie met de definitie van artikel 4, 28°, moeten dus als PPP’s worden beschouwd: met name alle natuurlijke personen die een van de publieke functies bekleden of bekleed hebben:

  • die zijn opgesomd in Bijlage IV van de antiwitwaswet, en
  • die zijn opgenomen in de door de Europese Commissie gepubliceerde gemeenschappelijke lijst (functies die in andere lidstaten en bij internationale organisaties als prominente publieke functies zijn aangemerkt).

Of een cliënt, een lasthebber van de cliënt of een uiteindelijke begunstigde van de cliënt een politiek prominent persoon is in een derde land, moet uitsluitend worden bepaald op grond van de definitie in artikel 4, 28°, van de Wet.

 

1.2. Personen die vergelijkbare prominente publieke functies uitoefenen

Anders dan in de wet van 11 januari 1993 is de in de nieuwe antiwitwaswet opgenomen lijst van publieke functies niet uitputtend, hoewel sommige van die publieke functies nauwkeurig zijn opgesomd in Bijlage IV van die wet. Financiële instellingen kunnen derhalve oordelen dat personen die prominente publieke functies uitoefenen die vergelijkbaar zijn met de in artikel 4, 28° van de antiwitwaswet of in Bijlage IV van die wet opgesomde functies, als PPP’s moeten worden beschouwd. Hiervoor moeten de financiële instellingen een beoordeling uitvoeren van het risiconiveau dat aan deze personen is verbonden als gevolg van de functies die zij effectief uitoefenen en waarvan de mate van risicoblootstelling vergelijkbaar is met die van de in artikel 4, 28° van de Wet opgesomde functies. Publieke functies die op regionaal of lokaal niveau worden uitgeoefend, worden bijvoorbeeld niet vermeld in de wettelijke opsomming van “prominente publieke functies”, maar het is niet uitgesloten dat ze vergelijkbare risico’s opleveren, onder meer gelet op de omvang van de regionale of lokale entiteit waarin deze publieke functies worden uitgeoefend, de verspreiding van de corruptie waarvan algemeen wordt erkend dat ze het betrokken rechtsgebied treft, de ontoereikendheid van de in dit rechtsgebied ten uitvoer gelegde anticorruptiemaatregelen, enz.

Bijgevolg dienen de financiële instellingen, enerzijds, in hun SWG/FTP-beleid (deel cliëntacceptatie) te verduidelijken wat zij verstaan onder “vergelijkbare prominente publieke functies”, in het bijzonder rekening houdend met de aard en de omvang van de risico’s - met name het risico op witwassen van de opbrengst van de corruptie - die verbonden kunnen zijn aan de zakelijke relaties met de personen die deze functies uitoefenen. Er zij bijvoorbeeld opgemerkt dat de prominente publieke functies die op regionaal of lokaal niveau worden uitgeoefend, niet zijn opgenomen in de wettelijke definitie van PPP, waardoor met name de functie van burgemeester niet als een prominente publieke functie wordt beschouwd. Afhankelijk van de grootte van de betrokken stad en van de omvang van de door de stad beheerde budgetten kan de functie van burgemeester van deze stad echter risico’s van dezelfde aard en dezelfde omvang inhouden als de functie van regeringsleider. Bijgevolg is het aangewezen een dergelijke op lokaal niveau uitgeoefende prominente publieke functie aan te merken als “vergelijkbare prominente publieke functie”.

Anderzijds dienen de financiële instellingen in het kader van de individuele risicobeoordeling overeenkomstig artikel 19 van de antiwitwaswet (zie de pagina “Individuele risicobeoordeling”), ook van geval tot geval de risico’s te beoordelen die zijn verbonden aan de uitoefening van deze vergelijkbare functies, teneinde te bepalen of het risiconiveau ervan dermate hoog is dat de in artikel 41 van de Wet opgesomde maatregelen van verhoogde waakzaamheid ten uitvoer moeten worden gelegd.

1.3. Familieleden van PPP’s

Het begrip “familieleden” wordt in artikel 4, 29° van de antiwitwaswet gedefinieerd als zijnde:

  • de echtgenoot of een persoon die als gelijkwaardig met de echtgenoot wordt aangemerkt;
  • de kinderen en de echtgenoten van die kinderen of de personen die als gelijkwaardig met de echtgenoot worden aangemerkt;
  • de ouders.

1.4. Personen bekend als naaste geassocieerden van PPP’s

“Personen bekend als naaste geassocieerden” worden in artikel 4, 30° van de antiwitwaswet gedefinieerd als zijnde:

  • natuurlijke personen die met een PPP de gezamenlijke uiteindelijk begunstigden zijn van juridische entiteiten of juridische constructies, of van wie bekend is dat zij met een dergelijk persoon andere nauwe zakelijke relaties hebben;
  • natuurlijke personen die als enigen de uiteindelijke begunstigden zijn van een juridische entiteit of juridische constructie waarvan bekend is dat deze in feite werd opgericht ten behoeve van een PPP.

1.5. Beëindiging van een publieke functie

In artikel 41, § 3 van de antiwitwaswet wordt verduidelijkt dat, indien een prominente publieke functie niet langer wordt toevertrouwd aan een PPP door een lidstaat van de EER of een derde land, of door een internationale organisatie, de financiële instellingen gedurende ten minste twaalf maanden rekening moeten houden met het door die persoon gevormde aanhoudende risico en op de beoordeling van dat risico gebaseerde passende maatregelen moeten toepassen totdat die persoon niet langer een aan PPP’s eigen risico vormt.  De vaststelling dat de persoon niet langer een risico vormt, moet voortvloeien uit een nieuwe individuele risicobeoordeling die overeenkomstig artikel 19 van de Wet door de financiële instelling wordt uitgevoerd.  Na de voornoemde termijn van twaalf maanden zijn verschillende situaties mogelijk. De financiële instellingen kunnen na deze nieuwe beoordeling besluiten om de voor PPP’s geldende maatregelen van verhoogde waakzaamheid niet langer toe te passen.  Omgekeerd kunnen ze in bepaalde gevallen besluiten, hoewel de persoon reeds meer dan een jaar geen publieke functies meer uitoefent, deze maatregelen van verhoogde waakzaamheid toch te blijven toepassen omdat het WG/FT-risico groot lijkt te blijven. Later, bijvoorbeeld na nog een jaar of na zes maanden, kunnen ze dan beslissen een nieuwe individuele risicobeoordeling uit te voeren.

2. Toepassing van de risicogebaseerde benadering voor PPP’s

De in artikel 41 van de antiwitwaswet vastgestelde specifieke maatregelen moeten worden toegepast in combinatie met het algemene beginsel van de risicogebaseerde benadering, dat wordt opgelegd door de artikelen 7, 16 en 19 van de Wet.

Wanneer een cliënt, zijn lasthebber of een van zijn uiteindelijke begunstigden wordt geïdentificeerd als PPP, familielid van een PPP of persoon bekend als naaste geassocieerde van PPP, zoals bedoeld in artikel 41, wordt de financiële instelling niet vrijgesteld van haar verplichting om de krachtens artikel 19 van de antiwitwaswet vereiste individuele risicobeoordeling uit te voeren en er rekening mee te houden bij het bepalen van de gepaste waakzaamheidsmaatregelen die ten uitvoer moeten worden gelegd. Hieruit volgt met name dat met deze individuele risicobeoordeling ook rekening gehouden moet worden om de intensiteit te bepalen van de maatregelen die overeenkomstig artikel 41 zijn genomen en om deze in voorkomend geval aan te vullen wanneer dit nodig is om rekening te houden met andere geïdentificeerde risicofactoren.

3. Systeem om te bepalen of de cliënt een PPP is

In artikel 41, § 1, van de antiwitwaswet wordt bepaald dat de financiële instellingen “passende risicobeheersystemen, inclusief passende, op het risico afgestemde procedures, ten uitvoer [moeten leggen] om te bepalen of de cliënt waarmee ze een zakelijke relatie aangaan of hebben of waarvoor ze een occasionele verrichting uitvoeren, een lasthebber van de cliënt of een uiteindelijke begunstigde van de cliënt een politiek prominente persoon […] is of is geworden”. Om ook volledig te kunnen voldoen aan de verplichtingen in § 2 van hetzelfde artikel 41 van de Wet, moeten deze systemen levensverzekeringsondernemingen ook in staat stellen te bepalen in welke gevallen een begunstigde van een levensverzekeringsovereenkomst en/of, in voorkomend geval, een uiteindelijke begunstigde van de begunstigde van een dergelijke overeenkomst een PPP is.

Zo moeten de financiële instellingen, wat betreft de verhoogde waakzaamheid ten aanzien van PPP’s, in de eerste plaats een procedure en een systeem invoeren voor de detectie van verrichtingen of zakelijke relaties waarbij een of meer personen die voldoen aan de criteria om als PPP te worden beschouwd, betrokken zijn in een van de bovenstaande hoedanigheden.  Dit systeem moet het mogelijk maken dergelijke verrichtingen of zakelijke relaties te detecteren bij de uitvoering van occasionele verrichtingen of bij de aanvang van een zakelijke relatie, maar moet ook toelaten zakelijke relaties te detecteren tijdens dewelke een of meer personen die optreden in een van de bovenstaande hoedanigheden, PPP’s zijn geworden.

3.1. Detectie bij de aanvang van de relatie

De NBB verwacht van de financiële instellingen:

  1. dat zij in hun SWG/FTP-beleid (deel cliëntacceptatie) de grote principes vastleggen van de methodologie die moet worden toegepast om te bepalen of een cliënt, diens lasthebber, de begunstigde van een levensverzekeringsovereenkomst of een uiteindelijke begunstigde een PPP is (zie de pagina “Gedragslijnen, procedures, processen en interne controlemaatregelen”);
  2. dat zij nagaan of hun cliënten voldoen aan de definitie van PPP op basis van een vergelijking van de gegevens van cliënten met betrouwbare informatiebronnen of aan de hand van hun formulieren voor het aanvragen van de uitvoering van verrichtingen of het aanknopen van relaties of, in geval van levensverzekeringen, via de documenten die vóór het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst moeten worden ingevuld door de cliënten, of op een andere wijze. In dit opzicht kunnen zij bepalen dat cliënten contractueel bij de aanvang van de zakelijke relatie wordt gevraagd zich te identificeren als PPP, of dat vragen worden gesteld om te verzekeren dat de persoon in kwestie geen PPP is (directe vragen om een spontane identificatie als PPP te verkrijgen en/of indirecte vragen als de cliënt zich niet spontaan als PPP identificeert).  Er zij echter opgemerkt dat deze vragen in verhouding moeten staan tot de doelstellingen van de antiwitwaswet en dat de ontvangen informatie enkel mag worden gebruikt voor de toepassing van de Wet, teneinde te vermijden dat deze informatievergaring een buitensporige inbreuk op de privacy van de cliënten vormt. In het bijzonder is elk gebruik van dergelijke gegevens voor commerciële doeleinden verboden (zie artikel 41, § 4, derde lid van de antiwitwaswet); en
  3. dat zij in hun procedure voor de waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de cliënten en de verrichtingen (deel “identificatie en verificatie van de identiteit van cliënten, lasthebbers en uiteindelijke begunstigden”) de specifieke regels vastleggen die moeten worden nageleefd, afhankelijk van het WG/FT-risiconiveau dat verbonden is aan de producten of diensten waarvoor de cliënt een beroep op hen heeft gedaan, aan het gebruikte distributiekanaal en aan de betrokken geografische gebieden, om de door de cliënt verstrekte informatie te toetsen aan bepaalde betrouwbare informatiebronnen en te waarborgen dat de cliënt niet behoort tot de categorie van de PPP’s. In dit verband wordt van de financiële instellingen verwacht dat ze in hun analyse rekening houden met alle informatie in hun bezit en dat hun procedures voorzien in de verplichting om de cliënt specifieke aanvullende vragen te stellen wanneer de geraadpleegde informatiebronnen er in tegenstelling tot de door de cliënt verstrekte informatie lijken op te wijzen dat de cliënt zelf of een andere bij de verrichting of zakelijke relatie betrokken persoon een PPP is.

3.2. Detectie tijdens de zakelijke relatie

De NBB vestigt de aandacht van de financiële instellingen op het feit dat de in artikel 41 van de antiwitwaswet opgesomde verplichtingen tot verhoogde waakzaamheid ook van toepassing zijn wanneer een cliënt, diens lasthebber, de begunstigde van een levensverzekeringsovereenkomst of een uiteindelijke begunstigde de hoedanigheid van PPP verkrijgt tijdens de zakelijke relatie. Deze verplichtingen gelden bovendien ook voor bestaande zakelijke relaties (die werden aangeknoopt vóór de inwerkingtreding van de antiwitwaswet), in dit verband ook rekening houdend met de uitbreiding van het begrip PPP tot, met name, personen die in België verblijven. 

Zo wordt van de financiële instellingen verwacht dat zij, in het kader van de bijwerking van de informatie die zij bezitten over hun cliënten, over de lasthebbers van deze laatsten, over de begunstigden van levensverzekeringsovereenkomsten en over de uiteindelijke begunstigden (zie de pagina “Waakzaamheid ten aanzien van zakelijke relaties en occasionele verrichtingen en opsporing van atypische feiten en verrichtingen”), maatregelen nemen die in verhouding staan tot het risico en die hen in staat stellen te bepalen welke van de voornoemde personen de hoedanigheid van PPP hebben verkregen, hetzij doordat ze nieuwe publieke functies uitoefenen, hetzij doordat de wettelijke definitie van PPP is gewijzigd, en welke personen familieleden zijn van die PPP’s of bekend staan als hun naaste geassocieerden. 

Wanneer een PPP als dusdanig wordt geïdentificeerd tijdens de zakelijke relatie, moeten de interne procedures van de financiële instelling voorzien in de verplichting om de beslissing om de zakelijke relatie al dan niet te voort te zetten, voor te leggen aan haar directiecomité of aan de persoon die daarvoor bevoegd is (zie hieronder).  Indien de beslissing positief is, zijn de onderstaande andere maatregelen van verhoogde waakzaamheid van toepassing (zie artikel 35, § 1, derde lid van de antiwitwaswet.

4. Maatregelen van verhoogde waakzaamheid

Naast het systeem voor de identificatie van PPP’s voorziet artikel 41 van de antiwitwaswet in drie specifieke maatregelen van verhoogde waakzaamheid. Deze maatregelen moeten worden toegepast zodra de financiële instelling zakelijke relaties aanknoopt met of occasionele verrichtingen uitvoert voor PPP’s, familieleden van PPP’s of personen bekend als naaste geassocieerden van PPP’s, in welke hoedanigheid ook (cliënt, lasthebber, uiteindelijke begunstigde, enz.).

Concreet moeten de financiële instellingen: 

  1. toestemming verkrijgen van het hoger leidinggevend personeel om zakelijke relaties met PPP’s aan te gaan of voort te zetten of om een occasionele verrichting uit te voeren voor een PPP;
  2. passende maatregelen nemen om de oorsprong vast te stellen van het vermogen en van de geldmiddelen die bij zakelijke relaties of verrichtingen met dergelijke personen worden gebruikt;
  3. een verscherpt toezicht uitoefenen op de zakelijke relatie.

Artikel 41, § 2 van de antiwitwaswet heeft betrekking op het specifieke geval waarin de begunstigden van een levensverzekeringsovereenkomst en/of, in voorkomend geval, de uiteindelijke begunstigde van de begunstigde van een dergelijke overeenkomst PPP’s, familieleden van PPP’s of personen bekend als naaste geassocieerden van PPP’s zijn of zijn geworden. In dat geval moeten de onderworpen entiteiten naast de gewone waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de cliënten uiterlijk op het tijdstip van uitbetaling of op het tijdstip van de gehele of gedeeltelijke overdracht van de verzekeringsovereenkomst ook de volgende maatregelen nemen:

  1. het hoger leidinggevend personeel informeren vóór de uitbetaling van verzekeringsprestaties;
  2. een doorlopend verscherpt toezicht uitoefenen op de gehele zakelijke relatie met de verzekeringnemer.

4.1. Toestemming van hoger leidinggevend personeel om een zakelijke relatie met PPP’s aan te gaan of voort te zetten of om een occasionele verrichting uit te voeren voor een PPP

Overeenkomstig artikel 41 van de antiwitwaswet moeten de financiële instellingen, wanneer een PPP is geïdentificeerd, voorzien in maatregelen om toestemming te verkrijgen van het hoger leidinggevend personeel om deze zakelijke relatie aan te gaan of voort te zetten met of om een occasionele verrichting uit te voeren voor die PPP.

In de praktijk verwacht de NBB van de financiële instellingen:

  1. dat zij in hun SWG/FTP-beleid (deel cliëntacceptatie) de grote principes vastleggen die moeten worden gevolgd betreffende het hiërarchisch niveau dat nodig is voor de toestemming om een zakelijke relatie met PPP’s aan te gaan of voort te zetten of om occasionele verrichtingen uit te voeren voor PPP’s; en
  2. dat zij in hun procedure voor de waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de cliënten en de verrichtingen (deel identificatie en verificatie van de identiteit van de cliënten, lasthebbers en uiteindelijke begunstigden) de criteria vaststellen op basis waarvan kan worden bepaald welk hoger leidinggevend personeel precies bevoegd is om te besluiten of een zakelijke relatie met PPP’s kan worden aangegaan of voortgezet of om te aanvaarden dat een occasionele verrichting wordt uitgevoerd voor een PPP. Daarbij zou rekening kunnen worden gehouden met een combinatie van risicofactoren die verbonden zijn aan het profiel van de betrokken PPP, en risicofactoren die inherent zijn aan de aard van de aan te knopen zakelijke relatie of de uit te voeren verrichting.

De NBB is van oordeel dat de modaliteiten van het besluitvormingsproces voor de aanvaarding of de voortzetting van een zakelijke relatie met een PPP moeten worden bepaald op basis van de individuele risicobeoordeling die wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 19 van de antiwitwaswet. Deze modaliteiten moeten met name voorzien in de aanwijzing van de persoon of het orgaan waarbij de beslissingsbevoegdheid berust en moeten de betrokkenheid van de AMLCO bij het besluitvormingsproces regelen.

Wanneer de individuele risicobeoordeling leidt tot de identificatie van bijzonder hoge risico’s, met name doordat de hoedanigheid van PPP wordt gecombineerd met andere factoren die op een hoog risico wijzen (bijvoorbeeld banden van de betrokken PPP met landen met een hoog WG/FT-risico of risico op corruptie), is het gelet op de aard van de WG/FT-risico’s voor de financiële instellingen volledig gerechtvaardigd dat het directiecomité of, in voorkomend geval, de effectieve leiding van de financiële instelling aanvaardt dat een zakelijke relatie wordt aangegaan met of een occasionele verrichting wordt uitgevoerd voor de betrokken PPP.  Wanneer de geïdentificeerde risico’s minder hoog zijn, kunnen de interne procedures de beslissingsbevoegdheid toekennen aan hiërarchisch lager geplaatste personen of organen. De financiële instelling moet dit hiërarchisch niveau echter kunnen rechtvaardigen in het licht van het beoordeelde WG/FT-risiconiveau. Dit hiërarchisch niveau moet in ieder geval hoger zijn dan dat van de personen met beslissingsbevoegdheid ten aanzien van cliënten die niet de hoedanigheid van PPP hebben.

Om de risico’s te beheersen, raadt de NBB de financiële instellingen ook aan om in hun interne procedures te bepalen dat de AMLCO en/of de verantwoordelijke voor de compliancefunctie betrokken dient te zijn bij het proces voor de aanvaarding of voortzetting van een zakelijke relatie met of voor de aanvaarding van een occasionele verrichting voor een PPP. Deze betrokkenheid kan ook worden bepaald naargelang van de resultaten van de met toepassing van artikel 19 van de antiwitwaswet uitgevoerde individuele risicobeoordeling. De NBB zal er in het bijzonder op toezien dat de financiële instellingen ten minste bepalen dat de AMLCO actief betrokken moet zijn bij en een doorslaggevende rol moet spelen in het besluitvormingsproces wanneer de geïdentificeerde risico’s bijzonder hoog zijn, met name door de aanwezigheid van andere factoren die op een hoog risico wijzen.

Wanneer de financiële instelling tot een financiële groep behoort, dient bovendien een informatie-uitwisseling plaats te hebben wanneer dit nodig is voor de toepassing van het groepsbeleid. Gelet op de gevoeligheid van informatie betreffende persoonsgegevens moet informatie over deze cliënten binnen de groep worden gedeeld op een geschikt hiërarchisch niveau, met inbegrip van de AMLCO en de verantwoordelijken voor de compliancefunctie van de betrokken entiteiten van de groep.  De NBB acht het nuttig om binnen een groep informatie te delen over de cliënten die als PPP’s zijn geïdentificeerd, teneinde de beleidsbepalende organen van de financiële instellingen in staat te stellen een specifiek inzicht te hebben in alle zakelijke relaties van die PPP-cliënten.

4.2. Vaststelling van de oorsprong van het vermogen en de gebruikte geldmiddelen

Overeenkomstig artikel 41 van de antiwitwaswet moeten financiële instellingen die zakelijke relaties hebben met PPP’s passende maatregelen nemen voor het vaststellen van de oorsprong van het vermogen van die cliënten en van de geldmiddelen die zijn gebruikt bij de zakelijke relatie met of de verrichting voor deze personen.

Om de oorsprong van het vermogen en van de bij de zakelijke relatie met PPP’s gebruikte geldmiddelen te kunnen bepalen, moeten de financiële instellingen ofwel rechtstreeks van de cliënt informatie verkrijgen, met name aanwijzingen waarmee de oorsprong van het vermogen en van de geldmiddelen kan worden aangetoond, ofwel gebruikmaken van informatie die publiekelijk beschikbaar is, onder meer op het internet, en die betrouwbaar kan worden geacht.

De NBB raadt aan om de intensiteit van de te nemen waakzaamheidsmaatregelen overeenkomstig de individuele risicobeoordeling vereist door artikel 19 van de antiwitwaswet (zie de pagina “Individuele risicobeoordeling”) te bepalen afhankelijk van het al dan niet bestaan van andere factoren die op een hoog risico wijzen en die verband houden met de verrichting of zakelijke relatie. Daartoe moet rekening worden gehouden met alle kenmerken van de verrichting of de zakelijke relatie, met name de aard en het doel ervan, en met de omvang van de bedragen in kwestie. In dat opzicht zijn de aan de betrokken geografische gebieden verbonden risicofactoren van bijzonder belang. Zo moeten de financiële instellingen met name bijzondere aandacht besteden aan bekende gevallen van corruptie of georganiseerde misdaad in het land waar de publieke functie wordt uitgeoefend en aan de landen waarvan algemeen bekend is dat corruptie er wijdverspreid is, gelet op de informatie die gepubliceerd is door geloofwaardige gouvernementele of niet-gouvernementele organisaties of door de belangrijkste nationale of internationale media. 

In dit verband verwacht de NBB dat de financiële instellingen in hun waakzaamheidsprocedures ten aanzien van de cliënten en de verrichtingen (deel “identificatie en verificatie van de identiteit van cliënten, lasthebbers en uiteindelijke begunstigden” en deel “waakzaamheid ten aanzien van occasionele feiten en verrichtingen”) bepalen welke maatregelen vereist zijn om de oorsprong vast te stellen van het vermogen en van de geldmiddelen die bij de zakelijke relatie worden gebruikt. Hierbij dienen zij voldoende rekening te houden met zowel alle risicofactoren die bepalend zijn voor het profiel van de cliënt als met de aan te knopen zakelijke relatie of de uit te voeren verrichting.

4.3. Verscherpt toezicht op de zakelijke relatie

Overeenkomstig artikel 41 van de antiwitwaswet moeten financiële instellingen die zakelijke relaties hebben met PPP’s een verscherpt toezicht uitoefenen op die zakelijke relaties.  Voor de vereiste specifieke maatregelen voor het toezicht op de verrichtingen van de cliënt zij verwezen naar de pagina “ Algemene commentaar op de gevallen van verhoogde waakzaamheid”.

Net als voor de maatregelen die vereist zijn om de oorsprong te kennen van het vermogen van de cliënt en van de geldmiddelen die bij de verrichting of de zakelijke relatie worden gebruikt (zie hierboven) moet de intensiteit van de waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de verrichtingen van de cliënt worden vastgesteld op basis van de individuele risicobeoordeling, met inachtneming van alle risicofactoren die bepalend zijn voor het risicoprofiel van de cliënt.

5. Interne controlemaatregelen

Van de financiële instellingen wordt verwacht dat zij periodiek en doorlopend de geschiktheid controleren van de organisatorische maatregelen die worden ingevoerd om te voldoen aan de verplichtingen tot identificatie en verhoogde waakzaamheid ten aanzien van de PPP’s.  In dit verband verwacht de NBB in het bijzonder dat de interne auditfunctie specifiek aandacht besteedt aan de geschiktheid van de maatregelen ter identificatie van de PPP’s en aan de efficiëntie van de door de financiële instellingen ten uitvoer gelegde maatregelen van verhoogde waakzaamheid.