Risicoclassificatie

Wettelijk en reglementair kader

  • Antiwitwasreglement van de NBB: Art. 4

Commentaar en aanbevelingen van de NBB

In aansluiting op de algemene beoordeling van de WG/FT-risico’s die de financiële instellingen overeenkomstig artikel 16 van de antiwitwaswet moeten uitvoeren, zijn zij verplicht om krachtens artikel 4 van het antiwitwasreglement van de NBB verschillende risicocategorieën vast te stellen, waaraan ze geschikte waakzaamheidsmaatregelen koppelen. Elk risico dat in het kader van de voornoemde algemene risicobeoordeling geïdentificeerd is, moet in deze risicocategorieën weerspiegeld zijn. Bijgevolg moet er bij de vaststelling van deze risicocategorieën worden uitgegaan van objectieve risicofactoren die onderling coherent gecombineerd zijn (cf. met name de variabelen en risicofactoren bedoeld in de bijlagen I tot III van de Wet).

Derhalve zouden er in theorie minstens twee risicocategorieën (hoog en standaardrisico) moeten worden vastgesteld, en eventueel een derde (laag risico). Er zij echter benadrukt dat deze classificatie ervoor moet zorgen dat in elke situatie de gepaste waakzaamheidsmaatregelen worden toegepast. Elke financiële instelling moet kunnen aantonen dat deze doelstelling kan worden bereikt met haar risicoclassificatie, ongeacht welke classificatietechniek wordt gehanteerd (art. 17, tweede lid, van de Wet). Het kan bijgevolg nuttig zijn dat situaties die identieke waakzaamheidsmaatregelen vereisen, in dezelfde risicocategorie worden ondergebracht. Het aantal risicocategorieën stemt in dat geval overeen met het aantal risicosituaties waarin er verschillende risicobeperkende maatregelen zijn vereist. Indien verschillende als hoog beschouwde risico’s verschillende risicobeperkende maatregelen vereisen, naargelang van de aard van de betrokken risico’s, zou het nuttig zijn dat deze risico’s in de praktijk in evenveel risicocategorieën worden ingedeeld. Uitgaande van dit beginsel zou een indeling in slechts twee risicoklassen (hoog en standaardrisico) alleen relevant zijn in het geval van een financiële instelling waar de algemene risicobeoordeling aangeeft dat zij voornamelijk is blootgesteld aan WG/FT-risico's die zeer homogeen zijn en die niet als hoog moeten worden beschouwd, gelet op de homogeniteit, vanuit risico-oogpunt, van haar activiteiten, haar cliënten, haar distributiekanalen en de betrokken geografische zones. Hoewel dergelijke instellingen er op grond van hun algemene risicobeoordeling in het algemeen vanuit kunnen gaan dat alle zakelijke relaties of verrichtingen met hun cliënten in theorie als "standaardrisico" moeten worden beschouwd en daarom allemaal in één enkele risicoklasse kunnen worden ondergebracht en dus aan dezelfde risicobeperkende maatregelen kunnen worden onderworpen, is het noodzakelijk dat deze financiële instellingen daarnaast een categorie “hoog risico” creëren, voor de zakelijke relaties of de verrichtingen waarvoor uit de individuele risicobeoordeling blijkt dat de beslissing die op basis van de algemene risicobeoordeling is genomen, moet worden bijgesteld, zodat er verscherpte waakzaamheidsmaatregelen moeten worden genomen.

In dit verband zij opgemerkt dat de financiële instellingen er overeenkomstig artikel 4 van het antiwitwasreglement van de NBB voor moeten zorgen dat hun risicocategorieën op een zodanige wijze zijn vastgesteld dat zij een cliënt in voorkomend geval in een andere risicocategorie kunnen indelen dan die waarin hij in theorie zou moeten worden ingedeeld, indien zij in het kader van de individuele risicobeoordeling die overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de antiwitwaswet wordt uitgevoerd, gevallen van hoog risico of, in voorkomend geval, gevallen van laag risico identificeren. De risicocategorieën moeten op een zodanige wijze worden vastgesteld dat de financiële instellingen rekening kunnen houden met de gevallen van verhoogde waakzaamheid bedoeld in de artikelen 37 tot 41 van de Wet.

Het zijn in de eerste plaats de risico's die specifiek zijn voor elke instelling die moeten worden weerspiegeld in de classificatie, op basis van de algemene beoordeling ervan door de betrokken instelling, maar de concrete analyse van het risiconiveau van elke cliënt kan ertoe leiden dat de cliënt in een andere risicocategorie moet worden ondergebracht dan die waartoe de algemene beoordeling a priori zou hebben geleid.

Tot slot moeten er voor elke risicoklasse passende maatregelen worden vastgesteld ter beheersing van de aldus geïdentificeerde en ingedeelde WG/FT-risico’s. Dit zullen meestal waakzaamheidsmaatregelen zijn of maatregelen die deel uitmaken van het cliëntacceptatiebeleid (zie pagina "Gedragslijnen, procedures, processen en internecontrolemaatregelen").