Inleiding

In de nasleep van de financiële crisis was een van de aandachtspunten de noodzaak van een aangepaste governance bij financiële instellingen. Deugdelijk bestuur is immers een van de hoekstenen van het goed functioneren van het bedrijfsleven en van het financieel en economisch systeem.

Achtergrond

Naar aanleiding van de internationale ontwikkelingen op het vlak van deugdelijk bestuur, zowel vanuit de hoek van de toezichthouders (nieuwe richtlijnen door het Bazelcomité en door de EBA) als in de Europese regelgeving, werd in 2014 een nieuwe Bankwet[1] uitgevaardigd, die de diverse governanceregels heeft geactualiseerd en gedetailleerder uitgewerkt. Zonder exhaustief te zijn, kan daarbij gewezen worden op volgende belangrijke aandachtspunten:

  • de vereisten op het vlak van professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid in hoofde van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met de effectieve leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties;
  • versterking van de rol en verantwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan (in termen van samenstelling, expertise, tijdsbesteding, …) op het vlak van deugdelijk bestuur in het algemeen en risicobeheer in het bijzonder;
  • versterking van de rol van de in de schoot van het wettelijk bestuursorgaan opgerichte adviserende comités;
  • bijzondere aandacht voor het beheer van risico’s en de respectievelijke rol en verantwoordelijkheid van de business en de onafhankelijke controlefuncties (zgn. three lines of defence model);
  • gedetailleerde uitwerking van de regels inzake beloningsbeleid;
  • meer transparantie over de implementatie van de principes van deugdelijk bestuur.

Om de naleving van de governanceregels te verzekeren stelt de Bankwet bovendien een uitgebreid arsenaal aan maatregelen ter beschikking van de toezichthouder, gaande van de prudentiële maatregelen in het kader van het pijler 2-toezicht (art. 149) over herstelmaatregelen (art. 234-238) tot dwangmaatregelen (art. 345-346) en administratieve boetes (art. 347). Bepaalde inbreuken worden bovendien strafrechtelijk gesanctioneerd (art. 348-352).

[1] Wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.

Methodologie

Het handboek strekt ertoe alle voor de kredietinstellingen toepasselijke beleidsdocumenten in het governancedomein (Bankwet, memorie van toelichting, reglementen, circulaires, Europese regelgeving, internationale standaarden) te bundelen en deze, indien nuttig, extra toe te lichten. Daarnaast bevat het handboek ook toelichting bij thema’s die niet als zodanig het voorwerp uitmaken van specifieke beleidsdocumenten. Verder spreekt het voor zich dat beleidsdocumenten die niet in dit handboek aan bod komen van toepassing blijven. Het handboek laat bovendien de bevoegdheden in het governancedomein van andere toezichthoudende overheden (bv. de FSMA) onverlet.

Het handboek vervangt geenszins de onderliggende beleidsdocumenten. Wanneer deze laatste via de gebruikelijke weg wijzigingen ondergaan, zal dit tevens resulteren in een aanpassing van het handboek. Aangezien het in beginsel een online publicatie betreft, is het de bedoeling dat het handboek “leeft”, zonder dat daartoe telkens de referentie en naam dienen aangepast te worden, zoals bv. voor circulaires het geval is. Eventuele aanpassingen zullen wel steeds ter kennis worden gebracht van de instellingen. Daarnaast zullen ze worden toegelicht in een afzonderlijke rubriek, met vermelding van de datum van de aanpassing.

De structuur van het handboek volgt zoveel mogelijk deze structuur van de Bankwet. Ook de in het handboek gebruikte termen hebben dezelfde betekenis als deze die eraan wordt toegekend in artikel 3 van de Bankwet.

Er wordt opgemerkt dat voor de toepassing van het handboek rekening dient te worden gehouden met het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme. In dit verband wordt erop gewezen dat de term toezichthouder, naargelang het geval, als ECB dan wel NBB dient begrepen te worden. Ofschoon de ECB bevoegd is voor de “belangrijke” kredietinstellingen in de zin van de GTM-Verordening, is het de taak van de nationale bevoegde autoriteiten om de ECB bij te staan in haar toezichtwerkzaamheden. De NBB verleent deze bijstand in het kader van de ‘Joint Supervisory Teams’, die het eerste aanspreekpunt zijn van de instellingen.

De volgende onderwerpen komen aan bod: (i) geschiktheid aandeelhouders of vennoten; (ii) geschiktheid leiding en onafhankelijke controlefuncties; (iii) passende bedrijfsorganisatie; (iv) openbaarmaking en transparantie; (v) groepscontext. Zowel in de tekst zelf als in een daartoe voorziene ruimte op de webpagina kan doorgeklikt worden naar de onderliggende beleidsdocumenten.

Voor gebruikers die het volledige handboek willen raadplegen zonder daartoe tal van links aan te klikken, is een specifieke link voorzien naar een versie in afdrukbare vorm. In deze versie wordt uiteraard de tekst van de onderliggende beleidsdocumenten niet meegenomen.

Evenredigheid

Zoals aangegeven in EBA/GL/2017/11 inzake interne governance, schrijft artikel 74, lid 2 van Richtlijn 2013/36/EU[2] voor dat de regelingen voor interne governance in overeenstemming dienen te zijn met het individuele risicoprofiel en het bedrijfsmodel van de instelling, teneinde een doeltreffende toepassing van de regelgeving te waarborgen.

Derhalve dienen instellingen rekening te houden met hun omvang en interne organisatie, alsook de aard, schaal en complexiteit van hun activiteiten bij het bepalen en ten uitvoer leggen van de interne governance regelingen. Dit impliceert dat significante instellingen geavanceerdere governance regelingen dienen uit te werken dan kleinere of minder complexe instellingen. Voornoemde richtsnoeren van EBA geven aan met welke criteria instellingen rekening dienen te houden bij de concrete toepassing van het evenredigheidsbeginsel.

De toepassing van het evenredigheidsbeginsel dient te geschieden binnen de grenzen van het wettelijke kader.

[2] Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.