Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de individuele en – desgevallend – collectieve geschiktheidsbeoordeling van de personen die bij voornoemde instellingen de volgende functies uitoefenen of wensen uit te oefenen:

  • bestuurder;
  • lid van het directiecomité (al dan niet bestuurder[1]);
  • verantwoordelijke van een onafhankelijke controlefunctie. De beoordeling dient in elk geval de hoogste operationeel verantwoordelijke[2] personen voor deze controlefuncties te vatten;
  • effectief leider die geen bestuurder is.

Ten aanzien van de effectieve leiders die geen bestuurder zijn, dient de NBB/ECB in principe niet via een voorafgaandelijke goedkeuring tussen te komen wanneer zij hun functie opnemen. Uiteraard betekent dit niet dat deze personen, die beschouwd dienen te worden als medewerkers met een sleutelfunctie, niet over een voor hun functie vereiste passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid dienen te beschikken. De principes van dit hoofdstuk zijn ook op hen van toepassing voor zover ze niet specifiek betrekking hebben op de voorafgaandelijke goedkeuring van de NBB/ECB. Aangezien de NBB/ECB in principe geen eigen geschiktheidsbeoordeling van de persoon in kwestie zal verrichten, dienen de instellingen voor deze personen derhalve niet systematisch terug te koppelen naar de toezichthouder door middel van de formulieren die in bijlage bij dit handboek zijn gevoegd. Voor meer duiding wordt tevens verwezen naar de bepalingen betreffende de beoordeling van de geschiktheid van medewerkers met een sleutelfunctie in de richtsnoeren EBA/GL/2017/12.

[1] Voor bepaalde holdingtypes is een gemengde samenstelling van het directiecomité (bestuurders/niet-bestuurders) toegelaten, cf. artikel 212 Bankwet.

[2] Het zogenaamde “DC -1 niveau”.

2.2.1 Grensoverschrijdende context

Voor de toepassing van dit hoofdstuk in een grensoverschrijdende context dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de volgende twee situaties:

  • EER instellingen die in België actief zijn middels de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verkeer van diensten ("inward passporting"): op hen is het hoofdstuk niet van toepassing.
  • Bijgevolg vallen personen die één van voornoemde functies uitoefenen of wensen uit te oefenen in instellingen die een vergunning hebben verkregen van of geregistreerd werden door de bevoegde toezichthouder van een Staat van de Europese Economische Ruimte en in België aanwezig zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verkeer van diensten niet binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk.
  • Belgische instellingen die in het buitenland actief zijn middels de vestiging van een bijkantoor ("outward passporting") of in België gevestigde bijkantoren van financiële instellingen die ressorteren onder Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte: op hen is dit hoofdstuk wel van toepassing.
  • Bijgevolg vallen geviseerde personen in dienst van in België over een vergunning beschikkende instellingen die in het buitenland actief zijn middels de vestiging van een bijkantoor wel onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk, alsook geviseerde personen in dienst van in België gevestigde bijkantoren van instellingen die ressorteren onder Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte. Voor deze laatste categorie zijn de geviseerde personen de leiders en de compliance officer (artikel 335 van de Bankwet). Voor Belgische instellingen die in het buitenland actief zijn via een bijkantoor betreft dit de effectieve leiders en alle lokale verantwoordelijken van de onafhankelijke controlefuncties (artikel 86 van de Bankwet).

2.2.2 Groepscontext

Overeenkomstig artikel 109, leden 2 en 3 van de CRD IV, als omgezet in artikel 168 van de Bankwet, dient de consoliderende instelling te zorgen voor de tenuitvoerlegging van een samenhangend en geïntegreerd groepsbeleid voor de beoordeling van de geschiktheid (en de naleving hiervan) bij alle dochterondernemingen binnen de prudentiële consolidatie. Deze verplichtingen worden nader verduidelijkt in de richtsnoeren EBA/GL/2017/12.

Zowel op het niveau van de Belgische moederonderneming als op het niveau van alle gereglementeerde Belgische dochterondernemingen dienen de geviseerde personen geschikt te zijn voor de door hen uitgeoefende functie en derhalve te voldoen aan de beoordelingsstandaarden inzake deskundigheid en betrouwbaarheid. Indien een persoon zowel op moeder- als op dochterniveau een functie uitoefent die een geschiktheidstoetsing vergt, gaat het om afzonderlijke beoordelingen.