Publicatie van het syntheseverslag van de Werkgroep "Kredieten aan de ondernemingen"

Printversie persbericht  (pdf - 85k)
Syntheseverslag: Werkgroep "KREDIETEN AAN DE ONDERNEMINGEN" (pdf - 618k)

De financiële en economische crisis die de wereldeconomie treft, heeft enige bezorgdheid doen ontstaan ten aanzien van de omvang van haar gevolgen voor de beschikbaarheid van krediet voor de privésector. Met name werd vaak de mogelijkheid van een scenario van kredietschaarste (credit crunch) geopperd. Die kredietschaarste zou de conjuncturele verslechtering kunnen verergeren of het herstel kunnen belemmeren.

In het kader van haar herstelplan en haar interventie bij de banken in de vorm van herkapitalisatie of toekenning van waarborgen, heeft de Regering beslist om de ontwikkeling inzake het verstrekken van bankkredieten aan ondernemingen en particulieren van nabij op te volgen. De Minister van Financiën heeft in februari daarom de oprichting gevraagd van een door de Nationale Bank van België voorgezeten werkgroep om het verloop van de bancaire kredietverlening aan de ondernemingen in België te onderzoeken. De taak van deze werkgroep bestaat er ook in om "aan de bevoegde ministers aanbevelingen te formuleren teneinde de toegang van ondernemingen tot de financiering die zij nodig hebben te vergemakkelijken". Hiertoe werd beslist dat "de Nationale Bank van België de vereiste data sneller zal verzamelen".

De actoren betrokken bij de problematiek van de kredietverstrekking aan ondernemingen hebben deelgenomen aan deze werkgroep, die was samengesteld uit (1) de beroepsverenigingen van de kredietinstellingen (Febelfin) en verzekeringsondernemingen (Assuralia), (2) de vertegenwoordigers van de ondernemingsfederaties, met name het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), de Union wallonne des entreprises (UWE), het Vlaams netwerk van ondernemingen (Voka), de Union des classes moyennes (UCM), de Unie van Zelfstandige Ondernemers (Unizo), (3) vertegenwoordigers van de Minister van Financiën en van de Minister van Buitenlandse Zaken, (4) de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) en (5) de Nationale Bank van België.

Na afloop van zes maanden activiteit heeft de werkgroep het onderhavige verslag voorgesteld, dat de essentie samenvat van de analyses en discussies die werden gevoerd tijdens haar vijf vergaderingen georganiseerd tussen februari en juli. Aan de hand van de statistieken en enquêtes van de Bank, aangevuld met de informatie van de leden van de werkgroep, kon een grondige analyse van het kredietverloop aan de ondernemingen worden uitgevoerd in een algemeen perspectief. In nauw overleg met de verschillende actoren die betrokken zijn bij de kredietproblematiek heeft de werkgroep eveneens de maatregelen besproken die bedoeld zijn om elke kredietbegrenzing te voorkomen of terug te dringen; waar nodig werden suggesties voor een betere functionering van de kredietmarkt geformuleerd.

Gehoor gevend aan het verzoek van de Minister van Financiën, heeft de Bank tegelijkertijd talrijke initiatieven genomen die erop gericht waren relevante informatie sneller ter beschikking van het publiek te stellen en de analyse van de kredietverlening aan ondernemingen te verfijnen.

Zo heeft de Bank vanaf maart 2009 op de website van het Observatorium voor krediet aan niet financiële vennootschappen een maandelijkse informatiepagina toegevoegd die bedoeld is om het publiek op een beknopte manier en zo snel mogelijk te informeren. Verder werd de website van het Kredietobservatorium grondig herwerkt in mei 2009. De algemene herstructurering beoogt een grotere klaarheid, een ruimere en eenvoudiger toegang tot de verschillende statistieken en een uitdieping van de driemaandelijkse analyse, onder meer via een grondiger analyse van de statistieken die door de Bank worden opgemaakt. Ten slotte heeft de Bank ter vervollediging van de informatie betreffende de voorwaarden inzake toegang tot het krediet een driemaandelijkse enquête bij de bedrijfsleiders ingevoerd. De Bank heeft ook nog besloten om het "negatieve" gedeelte van de Centrale voor kredieten aan ondernemingen, waarbij betalingsachterstand of andere betalingsproblemen betreffende de kredieten verstrekt door ingezeten banken worden geregistreerd, tegen midden 2011 operationeel te maken.

De vertraging van de groei van het bankkrediet vastgesteld sinds begin 2008 is de resultante van twee factoren: een daling van de kredietvraag vanwege de ondernemingen en een verstrakking in het leenbeleid van de banken. Wat de ondernemingen betreft, is het voornamelijk de scherpe afname van de brutovorming van vast kapitaal, en in mindere mate van de vraag gekoppeld aan de fusie- en overnameactiviteiten en de bedrijfsherstructureringen, die de daling van de vraag verklaart. Dit is met name het geval voor de verwerkende nijverheid, waar de terugval van de investeringsvooruitzichten voor het jaar 2009 is gepaard gegaan met een forse daling van de kredietverlening aan de ondernemingen van deze sector. De kmo's, die traditioneel meer afhankelijk zijn van bankkrediet, hebben sinds medio 2008 een veel geringere toename van de door de banken toegestane kredieten laten optekenen dan de grotere ondernemingen. De financieringsproblemen hebben de grote ondernemingen evenwel niet gespaard, onder meer door de problemen om bankconsortia op te richten of als gevolg van de terughoudendheid van een aantal banken om zich te verbinden tot grote bedragen. Uit de enquêtes die door de Bank zijn gehouden bij de bedrijfsleiders, is overigens herhaaldelijk een negatievere perceptie van de grote ondernemingen gebleken ten aanzien van de toegangsvoorwaarden inzake bankkrediet.

Wat de banken betreft, werd een verscherping van de kwalitatieve kredietverleningscriteria (vereiste garanties, vraag naar informatie, enz.) vastgesteld, terwijl de banktarieven een scherpe daling lieten optekenen, in het kielzog van de verlaging van de leidinggevende rentetarieven in het eurogebied. Ten slotte zij opgemerkt dat de Belgische ondernemingen, bovenop de vertraging van de door de Belgische banken toegekende kredieten, ook te maken kregen met de daling van de door de niet-ingezeten banken verleende kredieten.
Twee categorieën van factoren liggen ten grondslag aan de verstrakking van het beleid van de banken: de toename van hun financieringskosten en de verscherping van hun balansproblemen enerzijds en de verslechtering van hun risicoperceptie anderzijds. De maatregelen ter bestrijding van de kredietschaarste zijn derhalve vooral gericht op deze twee factoren.

De massale liquiditeitsvoorziening door de Europese Centrale Bank, alsook de aanpassing van haar monetaire-beleidsinstrumenten, heeft ontegensprekelijk bijgedragen tot de verstrekking van voldoende liquiditeiten aan de financiële instellingen. De Belgische overheden, van hun kant, hebben de banken van eigen middelen en staatswaarborgen voorzien wanneer het nodig bleek. Het ingrijpen van de Belgische staat om het overleven van bepaalde financiële instellingen te garanderen, had voornamelijk tot doel te voorkomen dat er besmettingseffecten zouden optreden als gevolg van een bankfaillissement, de spaargelden van de huishoudens veilig te stellen en de banken toe te laten hun rol van financiële intermediair te blijven spelen, zelfs tegen de achtergrond van een crisis. De Belgische staat heeft een vergoeding voor haar optreden vastgelegd, teneinde ontvangende instellingen geen voordelen te verschaffen die de concurrentie zouden kunnen verstoren.
Ondanks de aanzienlijke middelen die door de monetaire autoriteiten of de overheden ter beschikking zijn gesteld, lijken bepaalde elementen erop te wijzen dat sommige banken nog steeds voorrang geven aan het aanleggen van liquiditeitsbuffers liever dan de verkregen middelen ter beschikking te stellen van de diensten die instaan voor de kredietverlening aan de ondernemingen. Specifieke fundingproblemen blijven wellicht bestaan. Het ontwikkelen van instrumenten die een vlotte herfinanciering van de banken mogelijk maken in België - bij voorbeeld, men kan denken aan de covered bonds, die de mobilisering mogelijk maken van hypothecaire kredieten en kredieten aan plaatselijke besturen - kan deze problemen verhelpen. Bovendien moeten de banken ten volle de beschikbare financieringsmogelijkheden benutten: de onlangs afgesloten overeenkomsten tussen bepaalde grote Belgische banken en de EIB, met het doel om de financiering van de kmo's te ondersteunen, vormen een positief voorbeeld, dat navolging verdient.

Het verloop van de solvabiliteit van de banken moet nauwgezet worden gevolgd. De aanzienlijke verliezen van de banken zouden bepaalde instellingen ertoe moeten aanzetten de broekriem aan te halen via een proces van balansafbouw. De Belgische autoriteiten moeten erover waken dat wanneer een dergelijke deleveraging plaatsvindt, deze de kredietverlening aan de privésector - die immers tot de kernactiviteit van de gesaneerde banken zal behoren - zo weinig mogelijk treft. De vertegenwoordigers van de overheid in de raden van bestuur van banken dienen daarop toe te zien.

De steunmaatregelen zijn overigens slechts tijdelijk; op termijn moet de financiële sector zonder kunnen. De banken moeten zich sereen beraden over de mogelijke uitstapstrategieën, die vermoedelijk ten uitvoer zullen worden gelegd door een beroep te doen op de kapitaalmarkt.

In het vlak van het verbeteren van de risicoperceptie hebben de Belgische overheden interessante initiatieven genomen, onder meer inzake de ontwikkeling van nieuwe krediet en waarborgmechanismen voor kmo’s. Wellicht zou een betere communicatie naar de ondernemingen maar ook naar de partnerbanken inzake de geboden mogelijkheden kunnen bijdragen tot een verhoogde doelmatigheid van deze nieuwe instrumenten. De oprichting van Belgacap, een openbaar stelsel ter aanvulling van de kredietverzekering, zou het ook mogelijk moeten maken om het risico van een inkrimping van de kredietverlening als gevolg van strengere beoordelingen door de kredietverzekeraars, te beperken.

De middelen die door de Belgische overheid werden ingezet, in het kader van haar herstelplan en meer in het bijzonder in het kader van de kredietproblematiek, zijn beperkt geweest in vergelijking met andere Europese landen. De Belgische ondernemingen zouden hier een eventueel concurrentienadeel kunnen ondervinden dat vooral ten koste zou kunnen gaan van de Belgische uitvoer. Gelet op de hachelijke toestand van de overheidsfinanciën van het land, dient de voorkeur uit te gaan naar mechanismen die hierop een zo beperkt mogelijke weerslag hebben. Hierbij zouden verschillende schema's van co-financiering of risk sharing kunnen worden overwogen.