Perscommuniqué - Working Paper 274

Begrotingsbeleid en TFP in de OESO: meting van directe en indirecte effecten

Deze paper analyseert de invloed van het begrotingsbeleid op de totale factorproductiviteit (TFP) en de productie per hoofd van de bevolking voor een groep van 15 OESO landen in de periode 1970 2012, met behulp van een geaggregeerde productiefunctiebenadering.

Een belangrijke kwestie in de literatuur over economische groei is het feit dat de TFP bijzonder moeilijk te kwantificeren is. Het buiten beschouwing laten van de TFP leidt tot inconsistente ramingen indien de TFP gecorreleerd is met de waargenomen verklarende variabelen en zelfs tot een spurious regression probleem indien ze niet stationair is. In het bestaande empirische werk over begrotingsbeleid en economische bedrijvigheid wordt doorgaans gebruik gemaakt van ad hoc proxies voor technologie (bijvoorbeeld een gemeenschappelijke tijdstrend en landenspecifieke effecten). In deze paper wordt gezocht naar een alternatieve, mogelijk veelbelovende, oplossing voor het probleem van de weggelaten variabelen door van de sterke cross-sectionele correlatie in de gegevens gebruik te maken om de TFP te identificeren. Voorts wordt de tijdsvariatie onderzocht in de toegang die een land heeft tot een wereldwijd beschikbaar technologiepeil. Op die manier vallen niet alleen de directe maar ook de indirecte effecten te identificeren die het begrotingsbeleid op de TFP heeft via zijn impact op het vermogen van het land om wereldwijd technologie te absorberen.

Om die indirecte effecten te vatten, wordt een niet lineaire CCEP schatter geïmplementeerd. In de paper wordt co integratie getest met behulp van de Panel Analysis of Non stationarity in Idiosyncratic and Common Components (PANIC). De eigenschappen in een kleine steekproef van de schattings en co integratiemethode die in deze paper wordt voorgesteld, worden geanalyseerd aan de hand van een kleinschalige Monte Carlo simulatie die op maat is gemaakt van de empirische specificatie van deze paper en van de beschikbare gegevens.

Uit de schattingsresultaten komt de sleutelrol van het begrotingsbeleid in de ontwikkeling van de TFP naar voren. De auteurs vinden sterke bewijzen van zowel directe als indirecte effecten, waarbij deze laatste zich voordoen via de toegang die een land heeft tot het wereldwijde beschikbare niveau van technologie en kennis. Er komen een aantal duidelijke beleidsimplicaties naar voren. Een eerste implicatie betreft het belang van een gezond begrotingsbeleid, waarmee wordt bedoeld dat de begroting op lange termijn in evenwicht is (of zelfs in overschot). De uitgaven moeten worden gefinancierd met overheidsontvangsten. De enige uitzondering betreft de met een tekort gefinancierde productieve uitgaven (bijvoorbeeld overheidsinvesteringen, onderwijs en R&D uitgaven). Volgens hun bewijsvoering dragen die uitgaven bij aan het overheidskapitaal, en doen ze als gevolg daarvan de productiviteit van privaat kapitaal en arbeid stijgen zonder de TFP te schaden.

Een tweede belangrijke implicatie is dat beleidsmakers niet alleen strikt zouden moeten toezien op het niveau van de overheidsbestedingen en belastingen, maar ook op de structuur ervan. De resultaten verdedigen een verschuiving van de uitgaven van sociale overdrachten en de overheidsconsumptie naar meer productieve uitgaven, en een verschuiving van de inkomsten- en de vennootschapsbelasting naar verbruiksbelastingen. Het bewijs dat in het kader van deze paper is geleverd ten gunste van een verlaging van de vennootschapsbelasting heeft voornamelijk te maken met het verhogen van het vermogen van een land om wereldwijd beschikbare technologie te absorberen. In verband hiermee is een laatste duidelijke beleidsimplicatie dat openheid voor de wereldhandel absoluut moet worden gestimuleerd.