Perscommuniqué - Working Paper 261

Europees concurrentievermogen: Een semiparametrische stochastische metafrontier analyse op bedrijfsniveau

In deze paper wordt een landenvergelijking gemaakt van het concurrentievermogen van bedrijven binnen Europa, afgemeten aan hun productiviteit, dat betekent aan de hand van de efficiëntie waarmee ze de bestaande technologie hanteren om goederen en diensten te produceren op basis van een bepaalde reeks inputs. Er worden over de periode 2002-2009 tien verwerkende nijverheden in zeven EU-landen geanalyseerd (België, Finland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het VK).

In tegenstelling tot andere op bedrijfsniveau verrichte grootschalige productiviteitsonderzoeken met betrekking tot de verwerkende nijverheid, wordt hier een flexibele semi-parametrische methodologie gehanteerd die a priori geen functioneel verband tussen input en output voorschrijft. In onze methodologie is zowel inefficiëntie als ‘ruis’ in de gegevens toegestaan; dit is belangrijk aangezien gegevens op bedrijfsniveau onderhevig kunnen zijn aan meetfouten. Voor de groep van zeven landen wordt voor elke nijverheid een zogeheten ‘metafrontier’ geraamd, die voor een bepaald niveau van inputs (arbeid en kapitaal) de hoogst genereerbare toegevoegde waarde weergeeft, alsook landenspecifieke ‘frontiers’. Aan de hand daarvan kan worden bepaald welk gedeelte van de relatieve inefficiëntie van bedrijven toe te schrijven is aan een technologiekloof van hun land ten opzichte van het meest efficiënte land, en welk gedeelte toe te schrijven is aan de afstand tussen een bedrijf en de land’frontier’ die wordt bepaald door hun meest efficiënte binnenlandse concurrenten. De dynamiek van de productiviteit wordt beoordeeld aan de hand van een Hicks-Moorsteen indicator van de totale factorproductiviteitsgroei.

Aangezien ze de Europese ‘frontier’ voor metatechnologie bepalen, zijn België en Duitsland (gevolgd door Frankrijk) in de meeste beschouwde nijverheden blijkbaar technologische leiders, terwijl Spaanse bedrijven ten opzichte van de internationale technologie‘frontier’ een zeer diepe technologiekloof vertonen. De verschillen inzake concurrentievermogen zijn persistent aangezien in de ramingen van de productiviteitsveranderingen geen inhaalbeweging wordt vastgesteld.

Niet de oprichting of sluiting, maar wel de productiviteitsgroei binnen het bedrijf en de verschuivingen tussen gevestigde bedrijven zijn de stuwende kracht achter de productiviteitsgroei op nijverheidsniveau. Het is meer bepaald de relatieve bijdrage van de efficiëntiegroei van jonge bedrijven (tussen 5 en 10 jaar) die grotendeels de productiviteitsgroei op nijverheidsniveau verklaart.

Tussen de landen zijn er aanzienlijke verschillen wat het efficiëntieverloop van jonge bedrijven betreft. In Finland zijn bedrijven die minder dan vijf jaar bestaan, gemiddeld beschouwd, efficiënter dan hun oudere concurrenten. In België en Duitsland duurt het langer vooraleer nieuwe bedrijven efficiënt worden, terwijl in Italië en Spanje nieuw opgerichte bedrijven niet in staat blijken oudere binnenlandse concurrenten bij te benen, zelfs niet binnen een periode van tien jaar na hun oprichting.

Van instellingen die de groei van jonge bedrijven na hun oprichting bevorderen, wordt verwacht dat ze de productiviteitsgroei op het nijverheidsniveau stimuleren. Hoewel beginnende bedrijven een groot risico lopen op een vroege noodgedwongen sluiting, verklaart een klein aantal van de overlevende starters een onevenredig groot gedeelte van de dynamiek op nijverheidsniveau, zowel inzake werkgelegenheid als inzake productiviteitsgroei. Bestaande studies wijzen op de cruciale rol die kredietbeperkingen en factoren aan de vraagzijde kunnen spelen bij het belemmeren van de groei na de oprichting. Vanwege de wisselwerking die – tot op zekere hoogte – lijkt te bestaan tussen werkgelegenheid en productiviteitsgroei, kan moeilijk een coherent beleid worden uitgestippeld aangezien beleidslijnen die een verhoging van de productiviteit beogen, maatregelen kunnen tenietdoen die erop gericht zijn de inzetbaarheid van werknemers met een lage productiviteit te garanderen.