Perscommuniqué - Working Paper 255

Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme of ‘GTM’, deel één van de bankenunie

De invoering van een gecentraliseerd systeem van bankentoezicht is een belangrijke ontwikkeling voor de financiële regelgeving in de Europese Unie. De Europese Centrale Bank zal rechtstreeks toezicht uitoefenen op alle grotere banken in het eurogebied, terwijl de nationale toezichthouders zullen blijven toezien op de kleinere banken en de niet-bancaire financiële instellingen, onder de algemene leiding van de ECB. Het stelsel is enkel van toepassing op de 18 lidstaten van het eurogebied, maar voor de niet tot het eurogebied behorende lidstaten bestaat er een mogelijkheid zich bij het systeem aan te sluiten. Het nieuwe stelsel is de eerste stap in de meervoudige regeling die bekendstaat als de bankenunie. Afgezien van de omzetting van het Bazel III-kader in de richtlijn en de verordening kapitaalvereisten (CRD IV en CRR), zal het gecentraliseerde bankentoezicht, dat wordt aangeduid als het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM), worden gevolgd door het kader voor herstel en afwikkeling (BRRD) en het depositogarantiestelsel (DGS), die beide van toepassing zijn in alle EU-lidstaten, terwijl het GTM, het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRM) en het begeleidende gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (SRF) enkel van kracht zullen zijn in de lidstaten van het eurogebied. De laatstgenoemde maatregelen zullen naar verwachting worden goedgekeurd vóór de Europese verkiezingen van mei 2014.

De complexiteit van de oprichting van een gemeenschappelijke ruimte voor het bankentoezicht is aanzienlijk. De afbakening van het werkterrein roept veel vragen op: in plaats van het toezicht volledig te centraliseren, omvat het enkel de grootste en potentieel systeemrelevante banken, wat uiteenlopende resultaten oplevert naargelang van de structuur van het bankwezen van de betrokken lidstaten. De nationale toezichthouders zullen actief blijven op andere gebieden dan het bankentoezicht, en kunnen hun vroegere activiteiten voortzetten, zij het door de ECB te helpen bij haar rechtstreeks toezicht. De ECB heeft evenwel het recht voor alle banken geldende algemene richtsnoeren te formuleren, alsook om een bank, indien nodig, onder haar rechtstreeks toezicht te plaatsen of een nationale toezichthouder op te dragen bepaalde acties te ondernemen. Deze instrumenten garanderen een coherent toezichtskader en dragen bij tot gelijke concurrentievoorwaarden (level playing field), ten minste wat het toezicht betreft.

De geïntegreerde toezichtsregeling beïnvloedt wellicht de keuze van bankconcerns om buitenlandse vestigingen op te zetten als bijkantoren dan wel als dochterondernemingen. De banken hebben herhaaldelijk geklaagd dat ze moesten omgaan met evenveel toezichthouders als het aantal landen waarin ze werkzaam waren. De kostenstructuur is ook gunstiger wanneer de buitenlandse activiteiten worden verricht vanuit een bijkantoor in plaats van een dochteronderneming. In de verordening wordt er terecht aan herinnerd dat de lidstaten de vestigingsvergunning niet afhankelijk mogen maken van de vereiste een dochteronderneming op te richten. Het wordt interessant om te analyseren welke keuzes de leidende bankconcerns zullen maken.

Om het GTM te besturen, wordt binnen de ECB een Raad van Toezicht ingesteld, die onder de algemene verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur van de ECB staat. De Raad van Toezicht moet worden beschouwd als een intern orgaan van de ECB dat de beslissingen van de Raad van Bestuur voorbereidt. Deze laatste heeft uiteindelijk het laatste woord. De beslissingen van de Raad van Toezicht worden goedgekeurd geacht, tenzij de Raad van Bestuur verzet aantekent. De 18 nationale toezichthouders van het eurogebied worden sterk bij de Raad van Toezicht betrokken: elk van hen heeft één lid in de Raad, terwijl de ECB wordt vertegenwoordigd door de vicepresident en vier vertegenwoordigers. Wanneer er nationale spanningen ontstaan, zal dit de Raad van Bestuur sterk onder druk zetten.

De mogelijkheid tot aansluiting van de staten is gebaseerd op hun vrijwillige keuze om tot het GTM toe te treden, alsook op de verbintenis om alle door de ECB genomen maatregelen en besluiten ten uitvoer te leggen ('stelsel van nauwe samenwerking'). Om te waarborgen dat het algehele GTM op dezelfde basis werkt, moeten de door die nationale toezichthouder toe te passen regels identiek zijn in alle deelnemende staten. In geval van onenigheid heeft de niet tot het eurogebied behorende staat het recht de 'nauwe samenwerking' stop te zetten of te weigeren het door de ECB opgedragene uit te voeren, waarna deze laatste zal beslissen of die lidstaat al dan niet in de 'nauwe samenwerking' wordt gehandhaafd. Hoewel pas na verloop van tijd een duidelijker beeld van dit stelsel zal ontstaan, lijkt het erop dat sommige landen veeleer rechtstreeks de euro zullen aanvaarden dan zich aan te sluiten bij de nauwe samenwerking.

De GTM-verordening werd goedgekeurd met belangrijke amendementen op de verordening betreffende de Europese Bankautoriteit. De bevoegdheden van de EBA werden uitgebreid, vooral op het vlak van toezicht, terwijl de positie van de niet-deelnemende staten werd gevrijwaard door de bepaling dat besluiten moeten worden goedgekeurd met een afzonderlijke meerderheid van de niet-deelnemende staten. In de loop der tijd zullen de twee voornaamste leidende bancaire instellingen - de ECB en de Bank of England - het wellicht eens moeten worden over de belangrijkste binnen de EBA te nemen maatregelen.

Het nieuwe stelsel wordt van kracht op 4 november. De ECB zal de financiële positie van de kandidaat-banken grondig onderzoeken. Deze test zal een uitvoerige beoordeling van de risico's, een activakwaliteitsbeoordeling en een stresstest omvatten.