Perscommuniqué - Working Paper 248

Het belang van de juiste hoeveelheid ondernemingsmiddelen voor het exportgedrag van bedrijven

Belgische bedrijven staan onder een enorme druk om de efficiëntie van hun productie te verhogen en hun doelstellingen met een minimum aan middelen te bereiken. Deze druk vloeit voort uit de toenemende concurrentie vanuit snelgroeiende, veelal Aziatische landen. Tegelijk hebben bedrijven, in deze steeds meer globaliserende wereld, vaak middelen nodig om hun internationale activiteiten te ontwikkelen en op internationale markten te concurreren. Voorts voelen Belgische bedrijven zich vaak genoodzaakt om te innoveren en zo een concurrentievoordeel te creëren en te behouden, maar ook dit vraagt vaak toegang tot additionele middelen. Bovenstaand dilemma toont aan dat het voor bedrijven niet vanzelfsprekend is de juiste hoeveelheid middelen te kennen die ze moeten aanhouden om op een effectieve manier hun intrede te doen op buitenlandse markten.

Om op deze vraag een antwoord te kunnen bieden, werd in deze studie onderzoek gevoerd naar het effect van het aanhouden van, enerzijds, buffers aan kasmiddelen en, anderzijds, buffers aan kaderleden en bedienden op het exportgedrag van bedrijven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van unieke data, verkregen via de Nationale Bank van België, omtrent het exportgedrag van bedrijven in de Belgische productiesector tijdens de periode 1997 tot en met 2009. De nadruk ligt op financiële middelen en personeelsleden, omdat deze traditioneel worden beschouwd als de belangrijkste middelen die een bedrijf nodig heeft om te kunnen internationaliseren.

De resultaten benadrukken dat productiebedrijven die iets meer middelen aanhouden dan de mediaan van hun sector (deze bedrijven hebben dus een buffer aan financiële middelen en menselijk kapitaal), gemakkelijker besluiten te exporteren alsook actiever zijn in een groter aantal buitenlandse markten. Dergelijke buffers creëren dus kansen voor bedrijven om te exporteren en geven meer flexibiliteit om allerhande exportgebonden kosten (zoals intredekosten op een nieuwe markt en coördinatiekosten) te dekken. Een teveel aan dergelijke middelen aanhouden, kan echter leiden tot inertie. Bedrijven zullen zich te optimistisch gedragen, waardoor ze minder druk voelen om zich aan te passen aan een steeds wijzigende economische omgeving. De resultaten van deze studie tonen aan dat een teveel aan middelen ertoe leidt dat bedrijven minder makkelijk besluiten te exporteren en actiever zijn in een beperktere set van buitenlandse markten.

Less is more? More is less? Vanuit beleidsstandpunt is het cruciaal om te begrijpen waarom sommige ondernemingen exporteren en andere niet, en waarom sommige ondernemingen mondiaal actief zijn terwijl andere slechts met enkele van de ons omringende landen handelen. Het minimaliseren van wat sommigen definiëren als “overtollige” buffers en het creëren van uiterst efficiënte bedrijven kan het exportgedrag van bedrijven inperken. Een teveel aan buffers kan echter eveneens het exportgedrag van bedrijven drukken, en meer financiering en menselijk kapitaal is dus niet noodzakelijk beter. Deze studie beklemtoont hoe belangrijk het is de “juiste” hoeveelheid middelen aan te houden. Bedrijven hebben nood aan een buffer aan financiële en menselijke middelen om te exporteren (naar een groter aantal buitenlandse markten).