Perscommuniqué - Working Paper 247

De BIB en de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van de jaren tachtig

De Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van de jaren tachtig was de eerste mondiale financiële crisis na de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de crisis in de 'periferie' aanving, vormde ze een bedreiging voor het 'hart' van de wereldeconomie, aangezien het bankwezen onder zware druk stond. De centrale banken van de G 10 speelden via de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) een belangrijke rol in het beheersen van deze crisis, vooral door overbruggingskredieten te verstrekken (vóór stabilisatieleningen van het IMF konden worden verleend). Bovendien waren de statistieken van de BIB voor de beleidsmakers van onschatbare waarde om snel uit te maken welke banken bij de schuldencrisis betrokken waren en in hoeverre ze aan risico's waren blootgesteld. De crisisbeheersing was vrij succesvol, ten minste doordat ze voorkwam dat de crisis zich verbreidde van de periferie naar het 'hart' van de wereldeconomie.

Uit deze paper blijkt duidelijk dat de centralebankgemeenschap zich in de jaren zeventig ernstig zorgen maakte over de schuldopbouw in de periferie. Alexandre Lamfalussy, die economisch adviseur was bij de BIB, beklemtoonde van meet af aan dat zich een debiteurenmarkt had ontwikkeld, die werd gestimuleerd door een laks monetair beleid en het tekort op de lopende rekening van de Verenigde Staten. Uit de analyse van de schuldopbouw bleek evenwel niet echt de rol van financiële innovaties. Er waren verscheidene door de BIB gecoördineerde inspanningen om lenen in het buitenland af te remmen. In 1976 stelde Lamfalussy voor binnen de BIB een kredietcentrale ('risk office') op te richten, teneinde cruciale informatie te verzamelen over een beperkt aantal systeemrelevante banken. De BIB nam het voortouw bij het 'Burns' checklist'-initiatief, dat erop gericht was de belangrijkste internationale banken meer bewust te maken van landenrisico's. Bovendien pleitte Lamfalussy sterk voor de aanwending van prudentiële instrumenten (zoals kapitaalratio’s) om de kredietgroei te matigen; hij was dus een vroege voorstander van een macroprudentiële benadering van de financiële stabiliteit. De beleidsmakers slaagden er echter niet in het eens te worden over enig concreet initiatief. Dit was deels te wijten aan verschillen in analyses en beleidsdoelstellingen. De concurrentiepositie van de banken van de verschillende landen vormde eveneens een belangrijk struikelblok. Bovendien hechtte het Basels Comité voor Bankentoezicht eraan niet te worden afgeleid van zijn microprudentiële opdracht. Het bleek onmogelijk een consensus te bereiken over macroprudentiële maatregelen.

De Latijns-Amerikaanse schuldencrisis lag ten grondslag aan belangrijke inspanningen om het internationale financiële stelsel te versterken. De autoriteiten, waaronder de BIB, trachtten de situatie meer van nabij te volgen en verbeterden daartoe vooral het statistisch apparaat. Bovendien werden inspanningen geleverd om het bankwezen weerbaarder te maken. Dit zou uiteindelijk leiden tot het Baselse Kapitaalakkoord. De pogingen om de liquiditeit van het bankwezen te verbeteren, verdwenen evenwel uit het zicht. De snelle opbouw van buitenlandse schuld in de periferie aan het einde van de jaren zeventig bood de centralebankgemeenschap bij de BIB ook de eerste gelegenheid om na te denken over een macroprudentiële benadering van de financiële stabiliteit. Deze gedachtewisselingen bleken doorslaggevend in de ontwikkeling van de BIB-visie. In de loop der tijd werkte de BIB een brede benadering van de financiële stabiliteit uit, waarin ze de micro- en de macroprudentiële dimensie verenigde. Een cruciale les die uit de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis moet worden getrokken is dat het zeker nodig is microprudentiële informatie (bijvoorbeeld over financiële innovaties) te combineren met de macroprudentiële benadering.