Nationale Bank raamt Belgische economische groei voor dit en volgend jaar op 1,5 %

Brussel 15 juni 2018 – Na een lichte groeivertraging tijdens de eerste twee kwartalen van het jaar zal de economische bedrijvigheid in ons land volgens een nieuwe raming van de Nationale Bank opnieuw licht aantrekken in de tweede jaarhelft. Er wordt nu voor zowel 2018 als 2019 uitgegaan van een jaargroei van 1,5 %

Wereldeconomie

Na vorig jaar krachtig te zijn gegroeid, lijkt de wereldeconomie rond de jaarwisseling wat vaart te hebben verloren, met name in heel wat geavanceerde landen. Zo is de Amerikaanse economische bedrijvigheid wat vertraagd terwijl de Britse economie zowat is gestagneerd en de Japanse economie zelfs duidelijk is gekrompen. Dergelijke matiging van de groeicyclus is niet abnormaal na een sterke expansie waarbij de onbenutte productiecapaciteit is verminderd. Bovendien zijn de grondstoffenprijzen toegenomen en hebben aankondigingen van protectionistische maatregelen twijfel doen rijzen over de mate waarin de wereldhandel de mondiale groei zal blijven schragen. Die onzekerheid kan wegen op de investeringen. Verder hebben diverse opkomende economieën met tekorten op de lopende rekening te kampen met toenemende financieringsproblemen als gevolg van verschuivingen in internationale vermogensposities. Vooral in de Verenigde Staten zijn de rentetarieven namelijk toegenomen in een context van stijgende inflatieverwachtingen, mede wegens het stimulerend begrotingsbeleid in een economie met een al grote capaciteitsbenutting. Al met al gaan de gemeenschappelijke hypothesen voor deze projecties toch uit van een blijvend krachtige groei van de wereldeconomie en de mondiale handel. Het groeitempo van die laatste zou in de volgende jaren, in vergelijking met de mondiale bbp-groei, wel geleidelijk terugvallen.

Eurogebied

Ook in het eurogebied is de economische groei, na de krachtige expansie in 2017, sinds de jaarwisseling wat genormaliseerd. Volgens de nieuwe ramingen van het Eurosysteem zou de groei van de bedrijvigheid er dit jaar terugvallen tot 2,1 %, wat lager is dan in de ECB-prognoses van maart maar nog steeds solide is en min of meer in lijn ligt met de recentste najaarsprognoses van het Eurosysteem. Daarna zou de bedrijvigheid wel verder vertragen tot nog een groei van 1,7 % in 2020 als gevolg van de afnemende dynamiek van de wereldhandel, maar ook door aanbodbeperkingen op de arbeidsmarkt die de groei nog meer zullen drukken. De inflatie in het eurogebied wordt dit jaar, net als in 2017, aangewakkerd door de stijgende energieprijzen. Gezuiverd voor deze en andere volatiele componenten, neemt de onderliggende inflatie door de stijgende binnenlandse kostendruk, gedurende de hele projectieperiode toe, tot 2 % eind 2020.

België

Wat België betreft, zijn de macro-economische ramingen licht neerwaarts herzien ten opzichte van de najaarsprognoses. Met 0,3 % viel de groei in het eerste kwartaal, volgens de herziene INR-statistieken, iets lager uit dan eerst verwacht. In het tweede kwartaal zou de bedrijvigheid aan hetzelfde tempo toenemen.

Rekening houdend met de bovenvermelde gemeenschappelijke hypothesen en net als voor het eurogebied als geheel, zou de groei in de tweede jaarhelft licht aantrekken. Over het hele jaar 2018 zou de Belgische groei zo uitkomen op 1,5 % en daarna, net als in de najaarsramingen nog wat vertragen tot 2020, vooral als gevolg van de afkoeling in de investeringscyclus van de ondernemingen – in overeenstemming met de fundamentele determinanten – en de teruglopende uitvoergroei. De gezinsconsumptie zou door de aantrekkende reële lonen en de sterker stijgende koopkracht wel sneller toenemen maar dat kan deze factoren slechts ten dele compenseren Het sinds 2015 bestaande negatieve groeiverschil tussen België en het eurogebied wordt wat kleiner, maar verdwijnt niet volledig in de projectieperiode.

“Zoals voor het eurogebied, blijven de projecties voor België wijzen op een solide expansie en mooie banengroei”, zegt Gouverneur Jan Smets. “In de internationale omgeving zijn de neerwaartse risico's wel toegenomen.”

De binnenlandse werkgelegenheid neemt over de hele projectieperiode (2018-2020) met 97 000 eenheden toe. Deze komen bovenop de 163 000 banen die in de drie voorbije jaren, zijn gecreëerd. Terwijl het aantal gewerkte uren per persoon gestaag stijgt, vertraagt de jobcreatie dus ten opzichte van de piek in 2017, aangezien de lagere bbp-groei de arbeidsvraag wat vermindert en ook de voortschrijdende krapte op de arbeidsmarkt op de werkgelegenheidsgroei weegt. Daarenboven draagt ook het opnieuw opveren van de loonkosten de komende jaren bij tot een normalisering van de werkgelegenheidsintensiteit van de groei. De werkloosheidsgraad, die is teruggevallen tot een peil dat sinds begin deze eeuw niet meer werd opgetekend, zou op jaarbasis zowat ongewijzigd blijven over de projectiehorizon: de verdere stijging van de beroepsbevolking, die onder meer voortvloeit uit de maatregelen om de vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt in te perken, zou ongeveer gelijke tred houden met de jobcreatie.

De inflatie zou dit jaar op 2,1 % uitkomen en vervolgens verminderen tot 1,6 % in 2020 door de gestage afname van de energieprijzen in de komende twee jaren. De onderliggende inflatie stijgt wel geleidelijk van 1,3 % in 2018 tot 1,8 % in 2020. Het opveren van de loonkosten zou echter, net als in het verleden, niet volledig in de prijzen worden doorberekend, maar veeleer gepaard gaan met een matiging van de winstmarges.

Wat de overheidsfinanciën betreft komt het begrotingstekort in 2018 opnieuw lager uit dan eerder verwacht, namelijk op 1 % bbp, zoals in 2017. Dat heeft vooral te maken met de nieuwe sterke toename van de voorafbetalingen door de vennootschappen tegen de achtergrond van de verdere verhoging van het tarief voor onvoldoende voorafbetalingen. Dit is evenwel een tijdelijke factor, die zal leiden tot lagere inkohieringen bij de vereffening van de vennootschapsbelasting. Het begrotingsdeficit zou in de projectieperiode dan ook, ondanks de verdere verlaging van de rentebetalingen op de schuld, terug verslechteren, en aan het einde van de projectieperiode nog 1,8 % belopen. De overheidsschuld zou teruglopen van 103,4 % in 2017 tot 101,1 % bbp in 2020.

We herinneren eraan dat, overeenkomstig de regels van het Eurosysteem voor dergelijke projectieoefeningen, enkel rekening wordt gehouden met de maatregelen die de overheid op de afsluitingsdatum van de ramingen reeds voldoende heeft gepreciseerd en formeel goedgekeurd, of die ze zeer waarschijnlijk zal goedkeuren. Bovendien wijken de ramingen van de begrotingsimpact van bepaalde maatregelen, zoals die inzake fraudebestrijding, af van de in de begroting opgenomen bedragen.

 

2017  

2018r  

2019r  

2020r  

         

GROEI (voor kalenderinvloeden gezuiverde gegevens)

       

Bbp naar volume

1,7

1,5

1,5

1,4

Bijdragen tot de groei:

       

Binnenlandse bestedingen, ongerekend voorraadwijziging

1,2

1,5

1,5

1,6

Netto-uitvoer van goederen en diensten

0,5

0,2

-0,1

-0,2

Voorraadwijziging

0,1

-0,3

0,0

0,0

         

PRIJZEN EN KOSTEN

       

Geharmoniseerde consumptieprijsindex

2,2

2,1

1,9

1,6

Gezondheidsindex

1,8

1,6

1,9

1,7

Bbp-deflator

1,7

1,3

1,5

1,8

Ruilvoet

-1,3

-0,4

-0,4

0,2

Loonkosten per eenheid product in de private sector1

2,1

1,8

2,0

2,0

Uurloonkosten in de private sector1

1,8

2,2

2,9

2,8

Productiviteit per arbeidsuur in de private sector

-0,3

0,3

0,8

0,8

         

ARBEIDSMARKT

       

Binnenlandse werkgelegenheid (gemiddelde jaar-op-jaar verandering, in duizenden personen)

65,3

41,4

29,9

25,5

Totaal arbeidsvolume2

1,7

1,1

0,7

0,6

Geharmoniseerde werkloosheidsgraad (in % van de beroepsbevolking van 15 jaar of ouder)

7,1

6,7

6,7

6,8

         

INKOMENS

       

Reëel beschikbaar inkomen van de particulieren

1,4

1,3

1,9

1,7

Spaarquote van de particulieren (in % van het beschikbaar inkomen)

11,3

11,2

11,4

11,5

         

OVERHEIDSFINANCIEN

       

Primair saldo (in % bbp)

1,4

1,3

0,3

0,2

Financieringssaldo (in % bbp)

-1,0

-1,0

-1,8

-1,8

Overheidsschuld (in % bbp)

103,4 

102,3 

101,8 

101,1 

         

LOPENDE REKENING

(volgens de betalingsbalans, in % bbp)

-0,2

-0,3

-0,7

-0,7

 

 

Bronnen: ADS, EC, INR, NBB.

(1) Inclusief de loonsubsidies (hoofdzakelijk de verminderingen van de bedrijfsvoorheffing) en de gerichte verlagingen van de werkgeversbijdragen.

(2) Totaal aantal gewerkte uren in de economie.