Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 55 en 56

Art. 55

Het ontwerpartikel neemt de bepalingen met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de melding van een vermoeden zoals deze heden vervat zijn in artikel 30, § 1, eerste lid, van de wet van 11 januari 1993, getrouw over, alsook de afwijking van dit verbod als bedoeld in artikel 30, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet in het bijzonder, en voorziet tevens in de omzetting van artikel 39, leden 1 en 6, van Richtlijn 2015/849 en van Aanbeveling 21, (b), van de FAG.

De verwijzing in het ontwerpartikel naar het verbod tot het in kennis stellen van de cliënt of van derden van het feit dat een onderzoek naar witwassen van geld of financiering van terrorisme aan de gang is of zou kunnen worden opgestart, dekt evengoed de interne analyses gemaakt door de AMLCO van de onderworpen entiteit teneinde met name te bepalen of er aanleiding is tot het maken van een melding aan de CFI, alsook de externe analyses verricht door de CFI teneinde te bepalen of er ernstige aanwijzingen zijn van WG/FT.

Het tweede lid van de eerste paragraaf van het ontwerpartikel bepaalt dat het mededelingsverbod eveneens van toepassing is op de erin bedoelde mededeling van informatie of inlichtingen aan de bijkantoren van entiteiten die zijn gevestigd in derde landen. Het ontwerpartikel moet samen worden gelezen met artikel 56, § 2, 2°, van de ontwerpwet waarin een uitzondering op het verbod wordt bepaald wanneer het bijkantoor of de dochteronderneming in het derde land het groepsbeleid werkelijk toepast en men zich ervan heeft vergewist dat het conform de Richtlijn is. Terwijl we voor de dochterondernemingen kunnen verwijzen naar het ontwerpartikel, § 1, eerste lid, omdat zij een onderscheiden rechtspersoonlijkheid hebben ten opzichte van hun moedervennootschap en zij bijgevolg derden zijn ten opzichte van haar, geldt dit niet voor de bijkantoren aangezien ze ten opzichte van hun moedervennootschap geen onderscheiden rechtspersoonlijkheid hebben en ze bijgevolg juridisch geen derden zijn ten opzichte van haar. Bijgevolg is het verbod om de derden te informeren niet van toepassing tussen moedervennootschap en bijkantoor. Opdat de uitzondering op het mededelingsverbod zoals bepaald in artikel 56, § 2, 2°, van de ontwerpwet zin zou hebben en om de uitwisselingen tussen moedervennootschappen en bijkantoren in derde landen te onderwerpen aan bepaalde voorwaarden, moest worden voorzien in een principieel verbod om er aan de hand van voorwaarden een uitzondering op te kunnen maken.

Indien een notaris, een bedrijfsrevisor, auditor, een externe accountant, een externe fiscaal adviseur, een erkende boekhouder of een erkende boekhouder-fiscalist of nog een advocaat alles in het werk stellen om een cliënt te doen afzien van deelname aan een illegale activiteit, is er geen sprake van openbaarmaking in de zin van het eerste lid van het ontwerpartikel.

Art. 56

In het ontwerpartikel worden de afwijkingen van het verbod op "tipping off", zoals vervat in artikel 30, §§ 2 en 3, van de wet van 11 januari 1993 getrouw overgenomen en worden artikel 39, leden 2 tot 5, evenals artikel 45, lid 8, van Richtlijn 2015/849 omgezet.

Teneinde de melder te beschermen mag deze laatste aan de betrokken cliënt of aan derden niet meedelen dat er informatie of inlichtingen worden, zullen worden of werden doorgestuurd naar de CFI of dat een onderzoek naar witwassen van geld of financiering van terrorisme wordt of kan worden uitgevoerd.

Het ontwerpartikel herbevestigt dat het verbod niet van toepassing is op mededelingen gericht aan de bevoegde toezichtautoriteiten noch op openbaarmakingen voor wetshandhavingsdoeleinden. Deze laatste uitzondering bevestigt dat het geheim dat verbonden is aan de melding van vermoeden medegedeeld aan de CFI niet kan worden gebruikt door de melder om zijn medewerking te weigeren aan gerechtelijke onderzoeken die al dan niet voortvloeien uit de melding van vermoeden en betrekking hebben op de personen die het voorwerp uitmaken van deze melding, of hun verrichtingen.

De vrijstelling van het verbod op "tipping off" vanaf de derde dag van verzet uitgeoefend door de CFI, zoals vervat in artikel 30, § 2, van de wet van 11 januari 1993 is in tegenspraak met artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2015/849 en met Aanbeveling 21 van de FAG. Deze vrijstelling is voortaan geschrapt in het ontwerpartikel.

De punten 1 tot 3 van paragraaf 2 van het ontwerpartikel betreffen de uitzonderingen op het verbod op openbaarmaking die van toepassing zijn tussen kredietinstellingen en financiële instellingen die tot eenzelfde groep behoren en wiens bijkantoren en dochterondernemingen zich voor het merendeel in derde landen bevinden en tussen deze instellingen wanneer zij niet tot dezelfde groep behoren.

In punt 4°, a), van paragraaf 2 van het ontwerpartikel beoogt men de advocaten, de notarissen, de bedrijfsrevisoren, de auditors en auditkantoren, de externe accountants, de externe belastingconsulenten, de externe erkende accountants en de erkende boekhouders-fiscalisten die onderdanen zijn van de Europese Unie of van een derde land en die hun professionele activiteiten, al dan niet in loondienst, verrichten binnen dezelfde rechtspersoon of een grotere structuur waartoe de persoon behoort en die gemeenschappelijke eigendoms- en bestuurlijke banden en een gemeenschappelijke nalevingscontrole heeft. Op deze wijze is het voor de beroepsuitoefenaars die hun activiteiten uitoefenen binnen een grensoverschrijdende structuur mogelijk om informatie uit te wisselen over meldingen die zij hebben gedaan aan hun eigen nationale FIE.

In punt 4°, b), van paragraaf 2 van het ontwerpartikel beoogt men de openbaarmaking tussen advocaten, notarissen, bedrijfsrevisoren, auditors en auditkantoren, externe accountants, belastingconsulenten, erkende externe boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten binnen de EU of gevestigd in een derde land, zonder dat zij tot eenzelfde grotere structuur behoren, en wanneer zij tussenkomen met betrekking tot dezelfde cliënt en dezelfde verrichting. Op deze wijze is het, net als in het verleden, bijvoorbeeld mogelijk voor een notaris en voor een advocaat, die tussenkomen voor dezelfde verrichting en voor dezelfde cliënt, om informatie uit te wisselen met betrekking tot eventuele meldingen die één van beiden zou hebben gedaan bij de FIE. Indien de uitwisseling van informatie dient te geschieden met een persoon gevestigd in een land buiten de EER, dient deze uitwisseling te beantwoorden aan eisen en aan een toezicht gelijkwaardig aan deze vereist door Richtlijn 2015/849.