Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 45 en 46

Art. 45

Eén van de essentiële operationele verantwoordelijkheden van de verantwoordelijke die wordt aangeduid conform artikel 9, § 2, van de ontwerpwet (de AMLCO) is het analyseren van de atypische verrichtingen die gedetecteerd worden in het kader van de uitoefening van de doorlopende waakzaamheid (zie ontwerpartikel 35, § 1, 1°). De doelstelling van deze analyse bestaat erin te bepalen of er al dan niet een vermoeden van WG/FT bestaat en of er redelijke gronden zijn om dit te vermoeden, en of de betrokken verrichting bijgevolg moet worden gemeld aan de CFI conform de ontwerpartikelen 47 en volgende.

Wanneer de AMLCO (of de personen die onder zijn gezag handelen), deze analyse verricht, dient hij in de mate van het mogelijke de context en de finaliteit van de verrichtingen te analyseren, in het bijzonder wanneer het gaat om complexe verrichtingen die betrekking hebben op ongebruikelijk hoge bedragen of wanneer die deel uitmaken van ongebruikelijke schema's zonder kennelijke economische grondslag of legitimiteit.

Voor deze analyse van de atypische verrichtingen baseert de AMLCO zich in de eerste plaats op de resultaten van de bestendige waakzaamheid (zie supra). De informatie waarover hij aldus beschikt, kan evenwel onvoldoende zijn om hem in staat te stellen te beslissen of er al dan niet vermoedens zijn van WG/FT. In dit geval legt het tweede lid van paragraaf 1 de onderworpen entiteit op om (op initiatief van zijn AMLCO) bovenop de maatregelen die reeds worden toegepast in het kader van de bestendige waakzaamheid, de bijkomende maatregelen te nemen die nodig zijn om te kunnen beoordelen of deze verrichtingen of activiteiten al dan niet verdacht zijn. Deze bepaling zorgt voor de omzetting van artikel 18, lid 2, tweede zin, van de Richtlijn, die in dit geval een specifieke verhoogde waakzaamheid oplegt, die zich onderscheidt van de – in voorkomend geval verscherpte - bestendige waakzaamheid die wordt opgelegd door de artikelen 35 tot en met 41 van de voorliggende ontwerpwet.

In alle gevallen waarin een atypische verrichting geanalyseerd wordt door de AMLCO, dient deze de resultaten van zijn analyse op te nemen in een schriftelijk intern verslag. Dit intern analyseverslag moet het met name mogelijk maken inzicht te verkrijgen in de redenen waarom de AMLCO beslist heeft dat er al dan niet sprake is van een vermoeden van WG/FT. Aangezien het krachtens artikel 47, § 1, 1°, evenwel niet nodig is dat bij de melding van een vermoeden de onderliggende criminele activiteit geïdentificeerd wordt, is het ook niet nodig dat deze onderliggende criminele activiteit geïdentificeerd wordt in de analyse van de AMLCO en in het schriftelijk verslag van deze analyse, om te concluderen dat de betrokken verrichting verdacht is. Er dient evenwel onderstreept te worden dat dit intern verslag moet worden opgesteld ongeacht de beslissing die wordt genomen met betrekking tot het al dan niet bestaan van een vermoeden van WG/FT en bijgevolg ook met betrekking tot het al dan niet melden van een vermoeden aan de CFI. Dit verslag is immers in hoofdzaak bedoeld om de door de AMLCO genomen beslissingen a posteriori te rechtvaardigen en toezicht uit te oefenen op de doeltreffendheid en de pertinentie van het besluitvormingsproces.

Art. 46

Terwijl ontwerpartikel 45 het geval betreft waarin de verrichtingen die worden uitgevoerd of worden gevraagd door een cliënt, worden gekwalificeerd als atypisch, regelt artikel 46 op gelijkaardige wijze de gevallen waarin de onderworpen entiteit zich om welke reden ook in de onmogelijkheid bevindt om te voldoen aan haar verplichting:

  • om een identificatie of identiteitsverificatie te verrichten van de personen of juridische constructies die betrokken zijn bij de zakelijke relatie of de verrichting (cf. ontwerpartikel 33);
  • om de kenmerken te identificeren van de cliënt en het doel en de aard van de zakelijke relatie of van de occasionele verrichting (cf. ontwerpartikel 34, § 3); of
  • om een doorlopende waakzaamheid aan de dag te leggen ten aanzien van de zakelijke relatie (cf. ontwerpartikel 35, § 2).

In deze gevallen, en als aanvulling op het verbod om een zakelijke relatie aan te knopen of te handhaven of om de betrokken occasionele verrichting uit te voeren, moet de onderworpen entiteit, onder de verantwoordelijkheid van haar AMLCO, onderzoeken of de oorzaken van die onmogelijkheid om te voldoen aan de waakzaamheidsverplichtingen, aanleiding geven tot een vermoeden van WG/FT. Hiertoe werkt de onderworpen entiteit een alarmmechanisme uit waarvan hij gebruik maakt om de AMLCO te waarschuwen, dat vergelijkbaar is met het mechanisme dat hierboven wordt aangehaald voor de atypische verrichtingen.

Net zoals voor de analyse van de atypische verrichtingen, dient de analyse van de gevallen waarin de onderworpen entiteit zich in de onmogelijkheid bevindt om te voldoen aan haar hierboven opgesomde verplichtingen, uit te monden in een schriftelijk verslag, ongeacht de beslissing die wordt genomen met betrekking tot het al dan niet verdachte karakter van de geanalyseerde situatie en, bijgevolg, het al dan niet melden ervan aan de CFI.