Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 136 tot 138

Art. 136

Ontwerpartikel 136 voorziet in de strafbaarstelling van inbreuken op de uitvoering van de opdrachten van de bevoegde toezichtautoriteiten om te waken over de goede toepassing van de voorliggende wet.

Voor wat betreft de financiële instellingen onderworpen aan dit ontwerp van wet worden de strafrechtelijke sancties toegepast die zijn opgenomen in artikel 36/20 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank en de sancties voorzien in artikel 87 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. In beide gevallen kan een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en/of een geldboete van 250 euro tot 2.500.000 euro worden opgelegd.

Voor wat betreft de niet-financiële onderworpen entiteiten kan er een strafrechtelijke boete worden opgelegd van 150 euro tot 5.000 euro.

De reden voor dit onderscheid tussen financiële en niet-financiële onderworpen entiteiten is tweeledig. Ten eerste wordt in dit ontwerp van wet hetzelfde onderscheid gemaakt in de bepalingen betreffende de administratieve sancties.

Ten tweede is het onderscheid gebaseerd op het feit dat de financiële instellingen een veel zwaardere impact kunnen hebben en een veel grotere rol spelen in de strijd tegen het WG/FT. Deze instellingen worden ook vanwege hun  beroepskennis en werkingssfeer geacht een uiterst strenge waakzaamheid aan de dag te leggen om te vermijden dat het financiële systeem misbruikt zou worden voor doeleinden van witwassen en financiering van terrorisme. Zij hebben aldus ook een grotere verantwoordelijkheid om hun medewerking te verlenen aan de toezichtautoriteiten. Deze medewerking aan en verantwoordelijkheid voor de strijd tegen witwassen door de financiële instellingen was reeds aanwezig bij de aanvang in de jaren ’80 en 90’ van de vorige eeuw van de internationale, Europese en Belgische reglementering, waarin het uitgangspunt was en is dat krediet- en financiële instellingen misbruikt kunnen worden en dat dit de soliditeit en stabiliteit van en het vertrouwen in de betrokken instelling en het financiële stelsel als geheel ernstig in gevaar kan brengen (Parl.St., Senaat, B.Z. 1991-1992, Doc. Nr. 468-1, blz. 3).

Art. 137

Zoals in de wet van 11 januari 1993 (artikel 41), is er in strafrechtelijke sancties voorzien met betrekking tot de verrichtingen die een inbreuk vormen op de bepalingen van boek III die betrekking hebben op de beperking van het gebruik van contanten (cf. de ontwerpartikelen 66, § 2, eerste lid, en 67).

Is voortaan ook van toepassing op de partijen die het verbod overtreden om onroerende goederen in contanten te betalen, zoals bepaald in artikel 66.

Zowel zij die de betalingen of de giften in contanten verrichten als zij die ze ontvangen, zijn strafbaar bij niet-naleving van de beperkingen bepaald in artikel 66 en 67, behalve, in het geval van artikel 67, wanneer de twee partijen consumenten zijn.

De hoofdelijkheid tussen de partijen voor de betaling van de boete is bijgevolg niet nodig en verdwijnt. Er werd van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt en ze beoogde enkel de boeten en niet de transacties aangezien de aanvaarding van een transactie enkel degene verbindt die ze aanvaardt en niet de mededaders van de eventuele inbreuk.

Het ontwerpartikel voegt de mogelijkheid toe voor de toezichthoudende overheid, de FOD Economie, om volgens de modaliteiten bepaald in artikel 31 van het Wetboek van economisch recht naar de overtreder een waarschuwing te sturen. Dit zal met name ook het geval zijn bij kleinere misdrijven die te wijten zijn aan een te goeder trouw verkeerde interpretatie van de wet door een debutant, van situaties die aanleunen bij overmacht enz.

Art. 138

Ontwerpartikel 138 bevat gemeenschappelijke bepalingen voor de in de artikelen 136 en 137 bepaalde strafbare feiten. Paragraaf 1 neemt de bepaling over die momenteel is opgenomen in artikel 41, derde lid, van de wet van 11 januari 1993 (een bepaling die vergelijkbaar is met de artikelen 349 van de Bankwet en 606 van de Solvabiliteit II-wet). De volgende paragrafen van het ontwerpartikel zijn gebaseerd op de artikelen 350 tot 352 van de Bankwet en 607 tot 609 van de Solvabiliteit II-wet. Met name paragraaf 3 zorgt voor de omzetting van artikel 62, lid 2, van Richtlijn 2015/849 en moet voorkomen dat het “non bis in idem”-principe wordt geschonden wanneer dezelfde feiten zouden kunnen uitmonden in rechtsvervolging en administratieve sancties. Er zij opgemerkt dat deze regeling wordt aangevuld, voor wat betreft de financiële instellingen die onder het toezicht van de NBB en de FSMA vallen, met respectievelijk artikel 36/10, § 5, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de NBB en artikel 71, § 5, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, die voorzien in een uitwisseling van informatie tussen deze administratieve autoriteiten en de gerechtelijke autoriteiten, teneinde te vermijden dat er parallelle procedures worden gevoerd.