Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 129 tot 131

Art. 129 en 130

Zoals reeds werd opgemerkt, is de internationale samenwerking, gezien het transnationaal karakter van WG/FT, van het allergrootste belang, ook tussen de nationale toezichtautoriteiten en hun buitenlandse tegenhangers. In Richtlijn 2015/849 wordt deze aangelegenheid slechts in enkele versnipperde bepalingen behandeld, die ofwel zeer algemeen zijn (cf. artikel 48, paragraaf 5, waarin het algemeen beginsel van samenwerking tussen bevoegde toezichtautoriteiten ten aanzien van onderworpen entiteiten die deel uitmaken van een groep wordt vastgelegd), ofwel zeer specifieke gevallen betreffen (cf. de artikelen 28 en 58, paragraaf 5, tweede lid). Maar geen enkele van deze bepalingen regelt de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de toezichtautoriteiten die bevoegd zijn inzake de SWG/FT binnen de EER of met soortgelijke autoriteiten van derde landen. De wet van 11 januari 1993 bevat ook geen bepalingen in die zin. Toch bestaat er een impliciete behoefte aan een geschikt wettelijk kader voor de regeling van een dergelijke samenwerking voor de toepassing van de bovenvermelde bepalingen van de Richtlijn. Een dergelijk wettelijk kader is eveneens bepalend voor de efficiëntie van een regeling voor het toezicht op grensoverschrijdende activiteiten. Om het Europees arsenaal aan te vullen en te garanderen dat de informatie-uitwisseling niet beperkt blijft tot de landsgrenzen, dient de ontwerpwet dus meer uitgewerkte en meer vérstrekkende regels in die zin te bevatten.

Hierbij zij opgemerkt dat de Richtlijn ook in alle talen zwijgt over informatie-uitwisseling tussen toezichtautoriteiten die bevoegd zijn inzake de SWG/FT en autoriteiten die enkel bevoegd zijn inzake prudentiële aangelegenheden, met name de ECB, die in het kader van het GTM niet bevoegd is inzake de SWG/FT. Voor een nationale toezichthouder die ter zake bevoegd is, is het niet kunnen uitwisselen van informatie met de ECB, die op dit ogenblik de grootste Europese prudentiële toezichthouder is, een grote handicap in het kader van de voorkoming van WG/FT. Omgekeerd is het ook een handicap voor de ECB, die niet in staat zal zijn om relevante informatie inzake de SWG/FT systematisch te integreren in het toezicht dat ze op prudentieel vlak uitoefent. Dit probleem kan echter niet op nationaal niveau worden opgelost: dit kan slechts worden opgelost door een wijziging van de Europese wetgeving.

Ontwerpartikel 129 stelt twee nieuwe definities vast, die specifiek zijn voor deze afdeling en die enkel tot doel hebben de leesbaarheid en het begrip van de afdeling te vergroten. Deze definities laten enerzijds toe de in ontwerpartikel 85 bedoelde toezichtautoriteiten makkelijk te onderscheiden van hun buitenlandse tegenhangers, en anderzijds de onderworpen entiteiten waarop de ontwerpwet van toepassing is, te onderscheiden van de onderworpen entiteiten die onderworpen zijn aan een buitenlandse wetgeving.

Ontwerpartikel 130 zorgt van zijn kant voor de omzetting van het bovenvermelde artikel 48, lid 5 van de Richtlijn, door het op te splitsen in de verschillende gevallen die zich kunnen voordoen naargelang van de hoedanigheid van de onderworpen entiteit die deel uitmaakt van een groep en onder het toezicht staat van een Belgische toezichthouder. Het gaat in het bijzonder om het geval van een financiële instelling, als bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot 21°, die deel uitmaakt van een groep en onderworpen is aan het toezicht van de NBB of de FSMA.

Zo is het eerste behandelde geval (paragraaf 1) dat waarin de Belgische toezichthouder bevoegd is voor het zogenaamde "solo"-toezicht op een Belgische onderworpen entiteit die deel uitmaakt van een groep waarvan de moedermaatschappij buiten het Belgisch grondgebied is gevestigd (in een andere lidstaat van de EER of in een derde land). Met toepassing van de bepaling van het eerste lid van de ontwerptekst, maakt de Belgische toezichthouder gebruik van de samenwerking en wisselt hij alle nuttige informatie uit met de toezichtautoriteiten van de moederonderneming met het oog op de uitoefening van zijn bevoegdheid om "solo"-toezicht uit te oefenen op de Belgische onderworpen entiteit.

In datzelfde geval moet de Belgische toezichthouder zijn medewerking verlenen aan de buitenlandse toezichthouder die bevoegd is ten aanzien van de moederonderneming, om hem in staat te stellen een zo goed mogelijk toezicht uit te oefenen op het door de groep toegepaste groepsbeleid.

Het tweede geval (paragraaf 2) is dat waarin de Belgische toezichthouder bevoegd is voor het toezicht op het groepsbeleid, op grond van het feit dat de onderworpen entiteit waarvoor hij bevoegd is, er de moederonderneming van is.  In dat geval vraagt de Belgische toezichtautoriteit, met het oog op het toezicht op het groepsbeleid, indien nodig de medewerking van de toezichtautoriteiten van de landen waarin de groep gevestigd is.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van de Richtlijn, werkt de autoriteit in het bijzonder samen met haar buitenlandse tegenhangers om in voorkomend geval te beoordelen of de Belgische onderworpen entiteit die gebruikmaakt van één van haar bijkantoren of dochterondernemingen in een derde land met een hoog risico als derde zaakaanbrenger, de voorwaarden die hiertoe zijn vastgelegd in voornoemd artikel 28 van de Richtlijn, die worden omgezet in artikel 43 van de ontwerpwet, nakomt.

De volgende paragraaf (paragraaf 3) zet artikel 48, lid 4, in fine van de Richtlijn om en betreft het bijzondere geval waarin dwangmaatregelen worden opgelegd aan betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en in België actief zijn via een netwerk van agenten of distributeurs. Dit heeft enkel betrekking op de NBB, die bevoegd is voor deze onderworpen entiteiten. Ze moet kennis geven aan en samenwerken met de toezichtautoriteit van de zetel van de betrokken onderworpen instelling vooraleer enige maatregel van die aard wordt genomen.

Tot slot zorgt de laatste paragraaf (paragraaf 4) van het ontwerpartikel voor de omzetting van artikel 58, lid 5, tweede alinea van de Richtlijn, dat bepaalt dat de toezichtautoriteiten in het kader van het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen en sancties moeten samenwerken en hun acties moeten coördineren.

Art. 131

Voor de Europese toezichtautoriteiten, en de NBB in het bijzonder, werpt de tenuitvoerlegging van de voornoemde bepalingen, die met name de in artikel 48, lid 5, van de Richtlijn vastgelegde algemene samenwerkingsverplichting omzetten, het probleem op van de wettelijke uitzonderingen op het beroepsgeheim die vastgelegd moeten worden, rekening houdend met het verschillend statuut (bijvoorbeeld prudentiële toezichthouder of FIE) dat de verschillende autoriteiten waartussen samenwerking en dus informatie-uitwisseling is toegestaan, in elke lidstaat kunnen hebben, inclusief, en in het bijzonder, wanneer de uit te wisselen informatie niet exclusief betrekking heeft op de SWG/FT maar ook informatie van prudentiële aard is. Zoals reeds opgemerkt, kan bepaalde informatie immers zowel voor de prudentiële toezichthouder als in het kader van de SWG/FT nuttig zijn; er wordt echter aan herinnerd dat de mededeling van niet-openbare informatie door een prudentiële autoriteit onderworpen is aan strikte beperkingen die gebaseerd zijn op de Europese prudentiële richtlijnen (cf. de uitzonderingen op het beroepsgeheim die limitatief zijn opgesomd in Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, de zogenaamde "CRD IV"-richtlijn, en Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf, de zogenaamde "Solvabiliteit II-richtlijn"). De mate waarin de NBB, die een autoriteit "met twee petten" is, dus gemachtigd zou kunnen zijn om met betrekking tot de strijd tegen het witwassen van geld informatie van prudentiële aard uit te wisselen met een buitenlandse tegenhanger die niet tezelfdertijd bevoegd is op prudentieel vlak, moet dus op nationaal niveau geregeld worden, met inachtneming van het Europees wetgevend kader. Het spreekt vanzelf dat informatie van louter prudentiële aard die niet nuttig is voor de uitoefening, door de buitenlandse toezichthouder, van zijn bevoegdheden inzake SWG/FT, niet is toegelaten.

Ontwerpartikel 131 staat toe dat deze informatie wordt uitgewisseld, maar verbindt hieraan naast de voornoemde relevantievereiste de voorwaarde dat bepaalde garanties worden verstrekt, die ingegeven zijn door de CRD IV-Richtlijn, om het vertrouwelijke karakter van de overgemaakte informatie te vrijwaren. Zo moet de toezichthouder die de informatie ontvangt, gebonden zijn aan een regeling inzake beroepsgeheim die minstens gelijkwaardig is aan de regeling die van toepassing is op de Belgische toezichthouder die hem de informatie overmaakt, of met deze toezichthouder een samenwerkingsakkoord hebben gesloten (een « Memorandum of understanding » of « MOU »), dat in de wederkerigheid voorziet van de verrichte mededelingen van gegevens en in het verbod, enerzijds om de meegedeelde informatie te gebruiken voor andere doeleinden dan de SWG/FT, en anderzijds om deze over te maken aan derden, bij gebreke van een voorafgaandelijke schriftelijke toelating van de autoriteit die de informatie meedeelt.

Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de autoriteit die de informatie meedeelt mag worden gebruikt of verspreid, mag deze autoriteit aan haar instemming strikte voorwaarden verbinden.

In voorkomend geval, wanneer de informatie wordt uitgewisseld met inachtneming van bovenstaande voorwaarden, wordt de beroepsgeheimverplichting waartoe de betrokken toezichtautoriteiten gehouden zijn, opgeheven.