Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 11 en 12

Art. 11

Artikel 11 van de ontwerpwet zet artikel 46, lid 1, van Richtlijn 2015/849 om en neemt de huidige bepalingen van artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 januari 1993 over en werkt deze verder uit. Dit artikel ligt in het verlengde van artikel 8, § 2, 3°, van het voorliggende ontwerp en vult dit aan. Terwijl dit laatste artikel voorziet in de verplichting om te zorgen voor enerzijds de sensibilisering van de personen die te maken hebben met WG/FT-risico's en anderzijds de opleiding van die personen met betrekking tot de maatregelen die worden genomen om deze risico’s te beperken, wordt in ontwerpartikel 11 enkel het tweede aspect behandeld. Er zij eveneens aan herinnerd dat ontwerpartikel 9, § 2, eerste lid, aan de AMLCO de verantwoordelijkheid toewijst om toe te zien op de sensibilisering en de opleiding van de betrokken personen.

Hiervan uitgaand beschrijft paragraaf 1 van ontwerpartikel 11 waaruit de opleiding van de beoogde personen in wezen dient te bestaan, namelijk:

  • het algemeen juridisch kader dat van toepassing is op het vlak van de SWG/FTP, en
  • de gedragslijnen, procedures en interne controles die toegepast worden binnen de onderworpen entiteit, in overeenstemming met het algemeen juridisch kader.

Het tweede lid preciseert dat de onderworpen entiteiten zich niet tevreden mogen stellen met het geven van een zuiver theoretische opleiding, maar ervoor moeten zorgen dat de betrokken personen effectief in staat zijn om de van kracht zijnde maatregelen toe te passen en, in het bijzonder, verdachte verrichtingen te identificeren en in dergelijke gevallen op passende en adequate wijze te werk te gaan.

Het derde lid, ten slotte, bepaalt dat de onderworpen entiteiten ervoor dienen te zorgen dat de betrokken personen kennis hebben van de interne meldingsprocedures bedoeld in artikel 10 en van de procedures voor melding aan de toezichtautoriteiten als bedoeld in artikel 90 van de ontwerpwet. Deze kennis vormt immers een noodzakelijke voorwaarde voor de effectiviteit van deze procedures.

Paragraaf 2 van ontwerpartikel 11 stelt dat het niet volstaat om een éénmalige initiële opleiding te verstrekken aan de betrokken personen, bijvoorbeeld bij hun indiensttreding, maar dat de onderworpen entiteiten een permanente opleiding moeten verstrekken. Op die manier kan rekening worden gehouden met de evolutieve aard van de WG/FT-risico's en van het wettelijk, reglementair en procedureel kader van de SWG/FT. Daarentegen laat paragraaf 2 toe om de intensiteit en grondigheid van de verstrekte opleiding, alsook de frequentie van de actualisering ervan, te laten afhangen van de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken personen, teneinde rekening te houden met hun potentieel gedifferentieerde blootstelling aan WG/FT-risico's uit hoofde van de taken en verantwoordelijkheden die zij uitoefenen.

Art. 12

Ontwerpartikel 12 betreft de onderworpen entiteiten die worden opgesomd in ontwerpartikel 5, § 1, 23° tot en met 25°, en zorgt voor de omzetting van artikel 46, lid 1, derde alinea, van Richtlijn 2015/849, dat het volgende bepaalt: « Indien een natuurlijke persoon die onder een van de in artikel 2, lid 1, punt 3, vermelde categorieën valt, beroepsactiviteiten uitoefent als werknemer van een rechtspersoon, zijn de in deze afdeling vastgelegde verplichtingen van toepassing op die rechtspersoon in plaats van op de natuurlijke persoon». Advocaten, gerechtsdeurwaarders, notarissen, alsook vastgoedmakelaars hebben altijd het statuut van zelfstandige, ook als ze die activiteit uitoefenen bij een advocatenbureau dat als rechtspersoon is opgericht, bij een notariskantoor of bij een gerechtsdeurwaarderskantoor, of een vastgoedkantoor. Voor cijferberoepen ligt dit echter anders. Zij kunnen de titel van bedrijfsrevisor, auditor,  accountant of belastingconsulent hebben en dat beroep uitoefenen als bediende bij een vennootschap die respectievelijk de hoedanigheid heeft van bedrijfsrevisor, auditkantoor, accountant of belastingconsulent.