Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikel 90

Art. 90

Artikel 90 van de ontwerpwet zorgt voor de omzetting van artikel 61 van Richtlijn 2015/849. Het legt aan alle in ontwerpartikel 85 bedoelde toezichtautoriteiten de verplichting op om effectieve en betrouwbare mechanismen in te stellen voor de melding door de leiders, personeelsleden, agenten en distributeurs van de onderworpen entiteiten of door derden, van mogelijke of werkelijke door een onderworpen entiteit gepleegde inbreuken op de verplichtingen inzake de voorkoming van WG/FT.

Om te verzekeren dat deze mechanismen efficiënt zijn, garandeert de ontwerpbepaling de anonimiteit van de persoon die een dergelijke melding verricht, zowel ten aanzien van de onderworpen entiteit als ten aanzien van derden.

De bepaling garandeert eveneens dat deze persoon is vrijgesteld van burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid en beschermt hem of haar tegen professionele sancties wegens het feit dat hij of zij een melding zou hebben verricht aan een toezichtautoriteit, op voorwaarde dat er te goeder trouw werd gehandeld. Onder dezelfde voorwaarde verduidelijkt de ontwerpbepaling dat deze persoon niet lastiggevallen mag worden omdat hij of zij aan de toezichtautoriteit informatie heeft meegedeeld die bij een melding van een verdachte verrichting werd verstrekt. Deze bepaling vormt aldus een aanvulling op de uitzondering op het verbod om aan derden mee te delen dat een melding werd verricht bij de CFI. Deze uitzondering, die opgenomen is in artikel 56, § 1, van de ontwerpwet, is namelijk ook van toepassing in de context van het bij artikel 90 van de ontwerpwet ingestelde meldingsmechanisme..

Ten slotte wordt verduidelijkt dat het verboden is voor de onderworpen entiteit die kennis zou hebben van het feit dat de melding waarvan ze het voorwerp uitmaakt, uitgaat van een personeelslid of van een van haar agenten of distributeurs, om deze persoon nadelig of discriminerend te behandelen in het kader van zijn of haar arbeidsrelatie, of, a fortiori, om deze relatie te verbreken.

De wet van 11 januari 1993 beschrijft in artikel 39, § 2, slechts heel beknopt de bevoegdheden waarover de toezichtautoriteiten beschikken in het kader van de uitoefening van hun toezichtsbevoegdheden en verlaat zich aldus op andere wetgeving die de algemene toezichtsbevoegdheden van die autoriteiten en de daarmee samenhangende bevoegdheden vastlegt. Om een grotere transparantie en een grotere rechtszekerheid te garanderen, opteert de voorliggende ontwerpwet er echter voor om de bevoegdheden waarover elke toezichtautoriteit in het kader van de uitoefening van haar bevoegdheden inzake SWG/FTP beschikt, te verduidelijken.

Een dergelijke verduidelijking is in het bijzonder nuttig voor wat de NBB betreft.

Aangezien de toezichtsbevoegdheid die haar op het vlak van de SWG/FTP wordt toegekend door de voorliggende ontwerpwet, betrekking heeft op de meeste financiële instellingen waarvoor ze op prudentieel vlak bevoegd is, lijkt het niet wenselijk dat ze de bevoegdheden die ze moet aanwenden om dit toezicht uit te oefenen, moet putten uit een groot aantal onderscheiden sectorale wetgevingen die onderling van elkaar kunnen verschillen. De gelijke behandeling tussen deze onderworpen entiteiten met betrekking tot het toezicht, ongeacht de categorie waartoe ze behoren, pleit ervoor om in de voorliggende ontwerpwet de toezichtsbevoegdheden van de NBB ten aanzien van alle onderworpen entiteiten samen te brengen in één bepaling.

Voor de sector van de kredietinstellingen dienen de bevoegdheden waarover de NBB beschikt in het kader van de uitoefening van haar toezichtsbevoegdheden inzake SWG/FTP, specifiek omschreven te worden, aangezien de algemene bevoegdheid voor het toezicht op een aanzienlijk aantal kredietinstellingen die aan de voorliggende wet zijn onderworpen, krachtens het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (hierna “GTM”), overgeheveld werd van de NBB naar de Europese Centrale Bank (hierna "ECB").

In Hoofdstuk 2 van Boek IV, Titel 4, van de voorliggende ontwerpwet wordt een uitputtende opsomming gegeven van de bevoegdheden die bij wet zijn toegekend aan de NBB in het kader van de uitoefening van haar toezichtsbevoegdheid op het vlak van SWG/FTP. Dit gebeurt op identieke wijze voor alle onderworpen entiteiten waarvoor ze krachtens ontwerpartikel 85, § 1, 3°, van de genoemde ontwerpwet bevoegd is.

Om deze lijst op te stellen en tevens de samenhang van het globale toezicht van de NBB te vrijwaren, nemen de artikelen 91 tot 94 grotendeels de bepalingen over van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen (hierna de "bankwet") en in het bijzonder de artikelen 135, 136, 139, 236, 345 en 346, waarbij deze bepalingen, wanneer dit noodzakelijk is, worden aangepast aan de context van het toezicht inzake SWG/FTP.