Memorie van toelichting van de antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikel 121

Art. 121

De nationale samenwerking wordt behandeld in artikel 49 van Richtlijn 2015/849, dat bepaalt dat de lidstaten moeten voorzien in efficiënte mechanismen voor de samenwerking en de coördinatie tussen de autoriteiten op nationaal niveau, met name voor wat betreft de nationale risicobeoordeling en de vastlegging van het nationaal beleid inzake de SWG/FT (bedoeld in artikel 7 van de Richtlijn).

De samenwerking op het vlak van de nationale risicobeoordeling en van het beleid inzake de SWG/FT die binnen de nationale coördinatieorganen plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten, wordt geregeld in titel 1 van boek IV van de ontwerpwet (artikelen 68 tot 72).

Het lijkt echter nuttig om in een expliciete verplichting tot samenwerking tussen de toezichtautoriteiten te voorzien, vooral omwille van de mogelijke overlapping van hun bevoegdheidsdomeinen, in het bijzonder wanneer het gaat om toezichtautoriteiten die bevoegd zijn voor onderworpen entiteiten die financiële instellingen zijn (zie de commentaar bij ontwerpartikel 85).

Paragraaf 1 van ontwerpartikel 121, dat aan de toezichtautoriteiten de verplichting oplegt om samen te werken en informatie uit te wisselen, zal in de praktijk enkel betrekking hebben op de toezichtautoriteiten uit de financiële sector, hoewel de verplichting ruimer geformuleerd is en voor alle toezichtautoriteiten geldt.

De informatie die de genoemde toezichtautoriteiten zouden kunnen uitwisselen met het oog op de toepassing van de bepalingen van de voorliggende ontwerpwet, kan van eender welke aard zijn, inclusief informatie van prudentiële aard. Bepaalde informatie kan immers relevant zijn zowel in het kader van het prudentieel toezicht als van de SWG/FT (bijvoorbeeld voor de beoordeling van het « fit & proper »-karakter van de aandeelhouders en leiders, van de kwaliteit van het internecontrolesysteem of van de « compliance »-functie).

De tweede paragraaf van het ontwerpartikel bepaalt bovendien dat de CFI en de toezichtautoriteiten moeten samenwerken en onderling alle informatie moeten uitwisselen die ze zouden bezitten en die nuttig zou zijn voor de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden inzake de SWG/FT (inzonderheid de toezichts- en sanctiebevoegdheden van de in titel 4 bedoelde autoriteiten).

Aangezien de toezichtautoriteiten verplicht zijn onderling samen te werken, moet worden voorzien in een uitdrukkelijke afwijking van het beroepsgeheim waaraan deze autoriteiten gebonden zijn, in het kader van de uitoefening van hun taak om toe te zien op de naleving van de bepalingen van deze wet (cf. ontwerpartikel 89) of in een andere hoedanigheid, met name als prudentieel toezichthouder op de financiële instellingen (cf. artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België voor deze laatste). Om de samenwerking tussen de CFI en de toezichtautoriteiten mogelijk te maken, moet ook worden voorzien in de opheffing van het beroepsgeheim waaraan deze autoriteiten gebonden zijn met toepassing van, respectievelijk, de artikelen 83, § 1, of 89 van de ontwerpwet, of van een andere wetgeving. Bijgevolg wordt in paragraaf 3 van ontwerpartikel 121 uitdrukkelijk voorzien in een uitzondering op deze beroepsgeheimverplichtingen, teneinde ieder wetgevend obstakel voor de samenwerking weg te werken.