Economische projecties voor België – Voorjaar 2019

Artikel gepubliceerd in het Economisch tijdschrift van Juni 2019

De Belgische groei blijft vrij stabiel en de stijgende koopkracht doet de gezinsconsumptie opveren, maar de onzekerheden in verband met de internationale omgeving blijven groot

Download het artikel Persbericht

Vanaf 2019 wordt de volledige versie van de artikels van het Economisch Tijdschrift in het Engels gepubliceerd, met een digest in het Nederlands en het Frans.

Digest

In dit artikel worden de nieuwe macro-economische prognoses van de Bank besproken voor de periode van 2019 tot en met 2021.

De sterke vertraging van de handel weegt op de wereldeconomie maar de meeste ramingen gaan uit van een geleidelijk herstel

De wereldeconomie kreeg in toenemende mate af te rekenen met tegenwind en lijkt in de tweede helft van 2018 wat vaart te hebben verloren. Met name de verwerkende nijverheid schakelde naar een lagere versnelling. De relatieve kwetsbaarheid van die branche strookt met de forse vertraging van de mondiale handelsgroei tijdens de afgelopen kwartalen, wat niet los kan worden gezien van de toenemende tendens tot protectionisme. Vanwege de daardoor gecreëerde onzekerheid alsook door de mondiale verwevenheid van de productieketens, hebben handelsbelemmeringen vaak een grotere weerslag dan enkel het rechtstreekse effect op de landen en producten in kwestie.

De meest recente vertrouwens- en kortetermijnindicatoren stabiliseren voorlopig, zij het op nog steeds lage niveaus, en wijzen op een voorzichtige uitbodeming in de komende maanden. De meeste internationale organisaties, waaronder het Eurosysteem, verwachten dan ook dat de mondiale handelsgroei zal terugkeren naar een tempo dat overeenstemt met dat van de wereldgroei.

De economische groei in het eurogebied valt fors terug in 2019 maar veert daarna weer op

Ook in het eurogebied is de bedrijvigheid in de tweede helft van 2018 verder vertraagd. In het eerste kwartaal van dit jaar is de groei wel weer opgeveerd maar dat zou deels te maken hebben met bepaalde tijdelijke factoren, zoals een hogere invoervraag vanuit het VK om de bedrijfsvoorraden aan te vullen vóór de initiële Brexit-deadline. Vooruitlopende indicatoren wijzen op een nieuwe terugval van de groei in het tweede kwartaal, waardoor de jaargroei in 2019 op amper 1,2 % uitkomt, na 1,8 % vorig jaar. Geleidelijk trekt de groei weer aan: de komende twee jaar breidt de economie van het eurogebied uit met telkens 1,4 %. De totale inflatie wordt gedrukt door het neerwaarts verloop van de olieprijzen; als gevolg daarvan blijft ze gedurende de hele projectieperiode onder de 1,6 %. Gezuiverd voor energieprijzen en andere volatiele componenten, komt de stijgende binnenlandse kostendruk tot uiting. De onderliggende inflatie neemt gedurende de hele projectieperiode toe, tot 1,6 % in 2021.

De komende drie jaar groeit de Belgische economie met jaarlijks gemiddeld 1,2 %

De Belgische economie is, in tegenstelling tot die van het eurogebied, vorig jaar niet vertraagd. De groeicijfers op kwartaalbasis van eind 2018 en begin 2019 spoorden helemaal met de najaarsprognoses. De beschikbare vooruitlopende indicatoren lijken recent uit te bodemen, maar ze wijzen tot dusver niet op een overtuigende versnelling van de groei, waardoor deze laatste in België ook in het tweede kwartaal ongeveer 0,3 % zou bedragen.

Dat groeitempo blijft gedurende de hele projectieperiode, tot 2021, ongeveer constant, zodat de jaargroei telkens op zowat 1,2 % uitkomt. Die jaargroei ligt enkel in 2020 iets lager, meer bepaald 1,1 %.

Het vrijwel stabiele verloop van de bbp-groei gedurende de projectieperiode verhult de uiteenlopende ontwikkeling van de onderliggende vraagcomponenten. De groei van de particuliere consumptie trekt aan onder impuls van de stijgende koopkracht. Daartegenover staat dat de economische groei steeds minder zal worden ondersteund door de bedrijfsinvesteringen, die matigen volgens de gebruikelijke investeringscyclus, terwijl de groeibijdrage van de netto-uitvoer geleidelijk wat negatiever wordt. De voor België relevante uitvoermarkten, zoals bepaald in het kader van de gemeenschappelijke assumpties van het Eurosysteem, trekken dan wel weer aan na de zwakke eerste helft van 2019, maar de Belgische uitvoergroei blijft tijdens de projectieperiode min of meer constant aangezien de uitvoermarktaandelen opnieuw wat zouden afbrokkelen als gevolg van de toenemende binnenlandse loonkostendruk. De invoer, ten slotte, blijft, mede vanwege de lichtjes aantrekkende binnenlandse vraag, ietwat krachtiger groeien dan de uitvoer.

De koopkracht van de gezinnen zal tegen 2021 met 3,5 % per persoon zijn gestegen

De beschikbare gezinsinkomens zouden, inflatiegezuiverd, tussen 2019 en 2021 gecumuleerd met 5 % toenemen. Rekening houdend met de verwachte bevolkingsgroei over die periode, stijgt de reële koopkracht tegen 2021 met 3,5 % per persoon. Die inkomensgroei vloeit voornamelijk voort uit de dynamiek op de arbeidsmarkt. Dankzij de weliswaar afkalvende, maar toch nog geruime tijd krachtige werkgelegenheidsgroei en, vooral, de aantrekkende reële lonen, gaan de arbeidsinkomens er de komende jaren duidelijk op vooruit. Daarnaast is de koopkracht van de gezinnen ook toegenomen door de in 2019 ten uitvoer gelegde nieuwe belastingverlaging in het kader van de taxshift. Ook de vermogensinkomens leveren tijdens de projectieperiode, vooral door de geleidelijk aantrekkende rente, een positieve – zij het nog steeds geringe ‑ bijdrage tot de particuliere inkomensgroei.

De komende jaren zal de groei steeds meer gedragen worden door productiviteitswinsten

De arbeidsmarkt heeft het de afgelopen jaren zeer goed gedaan. De Belgische groei was sterk arbeidsintensief en er zijn sinds 2014 ongeveer 250 000 banen bijgekomen. Door de verminderende impact van het loonmatigingsbeleid en de maatregelen om het effectief arbeidsaanbod te verhogen, maar ook door de krapte op sommige segmenten van de arbeidsmarkt, zwakt de werkgelegenheidsgroei in de loop van de projectieperiode geleidelijk af, al zal het aantal banen tussen 2019 en 2021 nog steeds met zo’n 120 000 eenheden toenemen. De bedrijvigheid zal daarbij gaandeweg meer worden ondersteund door productiviteitsstijgingen.

De geharmoniseerde werkloosheidsgraad, die in 2018 met 6 % reeds historisch laag was, zou dit jaar nog verder dalen tot 5,7 % en vervolgens min of meer stabiel blijven.

Grafiek: kerncijfers van de NBB-voorjaarsprognoses voor de Belgische economie

(veranderingspercentages op jaarbasis, tenzij anders vermeld)

Bronnen: FPB, INR, NBB. —

De loonkostengroei neemt verder toe waardoor de onderliggende inflatie geleidelijk oploopt tot 2 % tegen 2021

De brutolonen in de private sector zouden de komende jaren stevig groeien. Dat is deels toe te schrijven aan het forse indexeringseffect, meer bepaald in 2019 als vertraagd gevolg van de inflatieopstoot in de herfst van 2018, maar ook aan de aantrekkende conventionele loongroei, waarbij in de ramingen rekening werd gehouden met de loonnorm van 1,1 % voor dit en volgend jaar. De krachtige groei van de uurloonkosten wordt vanaf 2020 deels gecompenseerd door het herstel van de productiviteitsgroei, waardoor de toename van de loonkosten per eenheid product enigszins wordt getemperd.

De snellere loonkostengroei impliceert niettemin een aanzienlijke stijging van de binnenlandse kostendruk, die doorsijpelt naar de onderliggende inflatie, voornamelijk via prijsstijgingen bij de diensten. De doorrekening van de lonen in de prijzen gebeurt wel met enige vertraging, waardoor de onderliggende inflatie slechts gestaag oploopt van 1,6 % in 2019 tot 2 % eind 2021. Ze is ook onvolledig aangezien de bedrijven de oplopende kosten deels opvangen in de winstmarges, die daardoor terugkeren naar hun langetermijngemiddelde.

De totale inflatie bestaat over de projectieperiode dan ook in toenemende mate uit onderliggende inflatie, terwijl de bijdrage van de volatiele energiecomponent krimpt en in 2021 uiteindelijk zelfs negatief wordt. De vertragende energieprijzen kunnen daarbij worden teruggevoerd op de verwachtingen ten aanzien van het verloop van de gasprijzen en de olieprijshypothesen die deel uitmaken van de gemeenschappelijke Eurosysteem-assumpties. Voorts blijft de bijdrage van de voedingsinflatie gedurende de projectieperiode ongeveer constant.

Het bereiken van een structureel begrotingsevenwicht vereist nog een grote consolidatie-inspanning

Vanaf 2019 lopen de overheidsontvangsten terug, vooral vanwege de lagere inkohieringen van de vennootschapsbelasting die de keerzijde vormen van de in 2017 en 2018 vastgestelde verschuiving naar hogere voorafbetalingen. Daarnaast werd de heffingsdruk op arbeid verder verlaagd in het kader van de taxshift.  Ten slotte nemen de sociale uitgaven voor onder meer de pensioenen ieder jaar fors toe. Het financieringstekort van de overheid loopt daardoor geleidelijk op, tot meer dan 2 % bbp in 2021.

Ook het structureel tekort neemt de komende jaren toe, tot 2,3 % bbp in 2021, wat impliceert dat er een consolidatie-inspanning van zowat €11 miljard nodig is om een evenwicht te bereiken. De schuldgraad daalt zeer geleidelijk van 102 % in 2018 tot 101,2 % bbp in 2021.

Overeenkomstig de regels van het Eurosysteem wordt bij de begrotingsramingen enkel rekening gehouden met aangekondigde maatregelen indien zij voldoende gepreciseerd zijn en al formeel zijn goedgekeurd of heel waarschijnlijk goedgekeurd zullen worden. Daarnaast kan de inschatting van de opbrengst van sommige maatregelen afwijken van de in de begroting opgenomen cijfers.