Economische prestaties, concurrentievermogen en welzijn van Wallonië: een vergelijkende analyse ten opzichte van andere Europese overgangsregio's

Wallonië wordt vaak met Vlaanderen vergeleken. Maar wat zijn de economische resultaten, het concurrentievermogen en het welzijn waard in vergelijking met regio’s met soortgelijke niveaus van bbp per inwoner in Europa, namelijk de overgangsregio’s zoals gedefinieerd door het cohesiebeleid van de EU?

Download het artikel Persbericht

Sinds 2019 wordt de volledige versie van de artikels van het Economisch Tijdschrift in het Engels gepubliceerd, met een digest in het Nederlands en het Frans.

Digest

Wallonië wordt dikwijls met Vlaanderen vergeleken. Het bbp per inwoner en het inkomen per inwoner zijn in Wallonië reeds geruime tijd kleiner dan in Vlaanderen en de economische bedrijvigheid groeit er reeds lang minder sterk; de werkgelegenheidsgraad ligt er veel lager en de sociale positie van de Waalse gezinnen is over het algemeen precairder.

De economische ontwikkeling van een regio hangt af van talrijke factoren, waaronder de geografie, de geschiedenis, het beleid en de handelingen van de economische actoren. Wallonië beschikt in dat opzicht noch over een kust of internationale zeehavens noch over de nationale luchthaven en dus ook niet over de activiteiten die een dergelijke infrastructuur met zich brengt (consultancybedrijven enz.). Historisch gezien waren het de steenkoolmijnen die Wallonië vroeg lieten bloeien en zijn stedelijke gebieden vormgaven. Ze bevorderden de vestiging van industrieën, waaronder de staalnijverheid, nabij steden als Luik, Charleroi, Bergen en La Louvière. De sluiting van het grootste deel van de zware industrie confronteerde de Waalse politieke overheid met uitdagingen als de-industrialisering en economische omschakeling. Dat leidde tot verschillende herstructuringsprogramma’s (contracten voor de toekomst, marshallplannen, herstelplannen, ...).

Dit artikel verruimt de analyse van de economische situatie van Wallonië door deze te vergelijken met die van regio’s in een vergelijkbare ontwikkelingsfase. De economische prestaties, het structurele concurrentievermogen en het welzijn van Wallonië en zijn provincies worden vergeleken met die van de zogenaamde ‘NUTS2’-regio’s [1]in landen die al vóór de uitbreiding van 2004 lid waren van de Europese Unie [2]. De bedoeling is om zijn sterke en zwakke punten te identificeren, alsook de prioritaire beleidsdomeinen.

Overgangsregio’s en economische prestaties

Om te bepalen welke regio’s zich in dezelfde ontwikkelingsfase als de Waalse provincies bevinden, maakt het artikel gebruik van de typologie die de Europese Commissie (EC) in het kader van haar cohesiebeleid heeft opgesteld. Om de fondsen van dit beleid over de EU27-regio’s te verdelen, is de programmering voor 2021-2027 gebaseerd op het gemiddelde bbp per inwoner (in PPS [3] voor de periode 2015-2017. De overgangsregio’s, oranje gekleurd in grafiek 1, zijn de regio’s waarvan het bbp per inwoner tussen de 75 % en 100 % van het gemiddelde in de EU27 ligt. De meeste Waalse provincies (Henegouwen, Luik en Namen) maken daar deel van uit. De provincie Luxemburg behoort tot de minder ontwikkelde regio’s, met een bbp per inwoner van minder dan 75 % van het EU-gemiddelde. Aangezien de levensstandaard van die provincie dicht bij die drempel ligt, wordt ze niettemin ook met de overgangsregio’s vergeleken. Waals-Brabant maakt daarentegen deel uit van de meer ontwikkelde regio’s, met een bbp per inwoner boven het Europese gemiddelde.

Fig eco rev 25032025 graphique 1 nl

In West-Europa zijn de economische oplevingen niet frequent, nemen ze veel tijd in beslag en vereisen ze aanzienlijke inspanningen. Tussen 2001 en 2019 slaagde geen enkele overgangsregio erin om tot de categorie van de meer ontwikkelde economieën op te klimmen en zijn vele andere achteruitgegaan. De relatieve stagnatie of achteruitgang vindt niet uitsluitend plaats in de Waalse provincies.

In dit artikel worden de prestaties van Wallonië en vier van zijn provincies dan ook vergeleken met die van de andere overgangsregio’s van de EU15. Die bevinden zich voornamelijk in Frankrijk, Spanje, het oosten van Duitsland, Italië, Finland en Nederland.

Fig eco rev 250325 graphique 2 nl

De provincies Henegouwen, Luik en Luxemburg behoren tot de achterblijvende regio’s: de groei van hun bbp per inwoner tussen 1996 en 2019 was lager dan de mediaan van de NUTS2-regio’s van de EU15, en in 2019 lag het peil van hun bbp per inwoner onder dat van de mediaan van deze regio’s. Niettemin dragen zeer veel Waalse pendelaars bij tot de economische bedrijvigheid van de buurgewesten, vooral Brussel en, in mindere mate, het Groothertogdom Luxemburg.

De provincie Namen vermijdt nipt dat ze achterblijft. Daarom wordt ze in dit artikel eveneens vergeleken met de beste overgangsregio’s, namelijk de overgangsregio's waarvan het bbp per inwoner sneller groeide dan de mediaan tijdens de periode 1996-2019.

Waals-Brabant wordt dan weer vergeleken met goed presterende regio’s (kwadrant rechts bovenaan in grafiek 2). Die regio’s hadden in 2019 – dus net voor de eerste COVID-19-golf – een bbp per inwoner dat hoger lag dan de mediaan van de NUTS2-regio’s van de EU15, en van 1996 tot 2019 was de reële groei van hun bbp per inwoner hoger dan de mediaan. Waals-Brabant is zelfs de NUTS2-regio waarvan het bbp per inwoner tijdens die periode het sterkst toenam.

Belangrijkste resultaten van de analyse en prioriteiten die eruit blijken

De fundamentele dimensies van het structurele concurrentievermogen ongerekend kosten [4] en van het welzijn van de regio's worden in de eerste plaats geanalyseerd op basis van indexen die respectievelijk door de Europese Commissie (Regional Competitiveness Index) en de OESO (welzijnsindicator) werden ontwikkeld. Ook andere indicatoren werden in aanmerking genomen om de diagnose inzake regionale overheidsfinanciën, onderwijs, innovatie en milieu te verfijnen.

De totale index van het regionale concurrentievermogen ligt in Wallonië (ongerekend Waals-Brabant) hoger dan het gemiddelde in de EU27 (waarde 100) en dan de medianen van de overgangsregio’s en zelfs van de best presterende overgangsregio’s. De index is evenwel – logischerwijs – lager dan de mediaan van de goed presterende regio’s. Die relatief gunstige concurrentiepositie vertaalt zich daarentegen niet in betere economische prestaties en een hoger welzijn. Zo scoort Wallonië voor de meeste welzijnsindicatoren minder goed dan de referentieregio’s.

 

Fig eco rev 250325 graphique 3 nl

Op basis van de in aanmerking genomen dimensies van de index van het regionale concurrentievermogen van de Europese Commissie, blijkt dat Wallonië via zijn infrastructuur toegang heeft tot een ruime en rijke potentiële markt. De economische structuur van Wallonië is ook meer gericht op een aantal marktdiensten en de ondernemingen zijn er geavanceerder, met name uit technologisch oogpunt. Bovendien tonen de Waalse ondernemingen en gezinnen zich bereid om de nieuwste technologieën te gebruiken. In vergelijking met de overgangsregio’s is Wallonië in veel opzichten ook innovatief. Over het algemeen doen goed presterende regio’s, waaronder Waals-Brabant, het daarentegen beter.

Bovendien beschikt Wallonië nog over gronden waar ondernemingen zich kunnen vestigen. In tegenstelling tot de helft van de regio’s van de EU15 namen op demografisch vlak zowel de totale bevolking als de bevolking op arbeidsleeftijd toe in Wallonië tijdens de periode van 1996 tot 2019. Bovendien is de Waalse bevolking jonger dan de mediaanbevolking van de referentieregio’s. Het heeft een comparatief voordeel in bepaalde groene technologieën zoals recycling en koolstofafvang. Wallonië lijkt over het algemeen ook minder kwetsbaar voor de uitdagingen van de klimaatverandering en de groene transitie dan de referentieregio’s, maar deze vaststelling verdient nuancering. Zo kunnen uitzonderlijke meteorologische gebeurtenissen zich voordoen, zoals de overstromingen die in juli 2021 sommige gebieden van Wallonië, vooral de provincie Luik, ernstig beschadigd hebben. Voorts zijn veel woningen energiezeven en voor kwetsbare groepen is het dus moeilijk om de kosten van de energie- en milieutransitie te dragen.

De belangrijkste structurele zwakke punten van Wallonië zijn onderling samenhangende sociale variabelen zoals de gezondheid, het risico op armoede of sociale uitsluiting en de arbeidsmarkt. Hoewel de werkgelegenheidsgraad stijgt, lag hij in 2019 ruim onder die van de vergelijkbare regio’s, vooral door een groot percentage inactieven, aangezien de werkloosheidsgraad niet abnormaal hoog is. Tijdens de beschouwde periodes nam de werkgelegenheid van de inwoners niettemin sneller toe dan de bevolking op arbeidsleeftijd en volgde de creatie van arbeidsplaatsen een vergelijkbaar tempo als dat van de referentieregio’s. Activeringsmaatregelen blijven niettemin essentieel om de mismatch tussen de vraag naar en het aanbod van arbeid te bestrijden en om het tekort aan arbeidskrachten, dat voor veel activiteiten al aanzienlijk is, in te perken. Dat is des te belangrijker omdat de bevolking op arbeidsleeftijd als gevolg van de vergrijzing zou afnemen vanaf 2025.

Onderwijs en opleiding vormen dus een ander belangrijk domein. Ze worden beide negatief beïnvloed door de sociale situatie en zijn essentiële hefbomen om de situatie op de arbeidsmarkt te kunnen verbeteren. Het aandeel van de afgestudeerden van het hoger onderwijs in de volwassen bevolking ligt weliswaar tamelijk hoog in vergelijking met de referentieregio’s, maar het aandeel van de volwassenen dat ten hoogste een diploma lager secundair onderwijs heeft behaald, ligt ook hoger. Voortijdig schoolverlaten komt vaker voor dan in de meeste referentieregio’s, waardoor ook meer volwassenen niet werken en niet studeren of een opleiding volgen. Henegouwen scoort op die variabelen duidelijk minder goed dan de andere Waalse provincies. Bovendien scoren Franstalige leerlingen gemiddeld beschouwd matig op internationale tests voor wiskunde, leesvaardigheid en wetenschappen, met grote onderlinge verschillen tussen scholen en leerlingen. Ook de beheersing van het Engels, de digitale vaardigheden en de deelname aan levenslang leren liggen bij de volwassen bevolking meestal onder de medianen van de referentieregio's.

De productiviteitswinst was relatief beperkt tijdens de periode 1996-2019, met Waals-Brabant als notoire uitzondering. De overige Waalse provincies zijn minder op de industrie gericht. De niet-marktdiensten nemen er een aanmerkelijk hoger – en toenemend – deel van de werkgelegenheid voor hun rekening. Om de productiviteit te stimuleren, moet de innovatie zich kunnen verspreiden buiten de innovatieve en productieve grote ondernemingen, zijn investeringen door de overheid en de private sector noodzakelijk om de kwaliteit van de basisinfrastructuur (transportmiddelen, ...) op peil te houden en zich aan de groene en de digitale transitie aan te passen. Daarnaast moet de kwaliteit van het menselijk kapitaal worden verbeterd om een toereikend aanbod van gekwalificeerde arbeid te verzekeren.

Een hogere arbeidsmarktparticipatie, beter onderwijs en een sterkere productiviteitsgroei zijn noodzakelijke voorwaarden als Wallonië zijn vele troeven op het vlak van structureel concurrentievermogen optimaal wil uitspelen.

Al deze uitdagingen moeten worden aangegaan terwijl de financiën van gewesten en gemeenschappen door de ratingbureaus minder gunstig worden geacht dan die van de Duitse deelstaten en de Franse regio’s. Daarom zou het begrotingstraject dat door de Commission externe de la dette et des finances publiques (de Waalse externe commissie voor de schuld en de overheidsfinanciën) wordt aanbevolen, volledig moeten worden uitgevoerd en zo nodig worden aangepast. De budgettaire houdbaarheid van de Franse Gemeenschap moet ook worden verzekerd.

Conclusie

Het bijzondere aan dit artikel is dat het Wallonië vergelijkt met regio's met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau in de EU15-landen. Aangezien de Waalse provincies economisch sterk van elkaar verschillen, werd Waals-Brabant met andere goed presterende regio’s vergeleken. De vier overige Waalse provincies werden vergeleken met overgangsregio’s zoals bepaald door het cohesiebeleid van de EU, dat zijn regio's waar het bbp per inwoner tussen 75 % en 100 % van het gemiddelde in de EU27 ligt. Tijdens de afgelopen decennia hebben ze hun positie inzake economische bedrijvigheid niet ingrijpend verbeterd. Het structurele concurrentievermogen ongerekend kosten van die provincies als geheel is tamelijk goed, terwijl het welzijnsniveau in Wallonië over het algemeen lager ligt dan in soortgelijke regio’s.

Dankzij de analyse konden niet alleen de sterke en zwakke punten, maar ook de prioritaire beleidsterreinen voor alle regeringsniveaus worden vastgesteld, namelijk werkgelegenheid, onderwijs en productiviteitswinsten. Een dergelijke focus is ook noodzakelijk om te verzekeren dat de troeven van Wallonië volledig tot hun recht komen. Tegelijkertijd moet het begrotingstraject houdbaar zijn.

 

[1] NUTS is de afkorting van Nomenclature of Territorial Units for Statistics. NUTS2 is het tweede niveau van deze nomenclatuur en stemt overeen met de Nederlandse provincies, de Italiaanse regio’s, de Spaanse autonome gemeenschappen enzovoort, terwijl het eerste niveau (NUTS1) uit grotere entiteiten bestaat (gewesten in België, post 2016 regio’s in Frankrijk, Länder of deelstaten in Duitsland, enzovoort) en het derde niveau (NUTS3) uit nog kleinere entiteiten (arrondissementen in België, departementen in Frankrijk, provincies in Spanje en Italië, enzovoort).

[2] Ter vereenvoudiging zullen we in het vervolg van deze samenvatting naar deze landen verwijzen alsEU15, hoewel het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Luxemburg buiten beschouwing werden gelaten. Het weglaten van het Verenigd Koninkrijk uit onze studie wordt gerechtvaardigd door de Brexit. In Ierland wordt het bbp vertekend door de aanwezigheid van multinationale ondernemingen en de daarmee samenhangende stromen. Het Groothertogdom Luxemburg is een financieel centrum en het bbp wordt er sterk beïnvloed door de pendelaars.

[3] De koopkrachtstandaarden (Purchasing Power Standards) worden gebruikt om te corrigeren voor de verschillen in prijsniveaus tussen de landen.

[4]De index van het regionale concurrentievermogen houdt geen rekening met dimensies als de beschikbaarheid en kosten van gronden en energie-, kapitaal- en loonkosten.