Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 60 tot 65

Art. 60

De onderworpen entiteiten bewaren, op welke informatiedrager ook, met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken door de CFI of andere bevoegde autoriteiten van mogelijke gevallen van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, de volgende documenten en informatie:

1° de identificatiegegevens bedoeld in afdelingen 2 en 3 van titel 3, hoofdstuk 1, in voorkomend geval bijgewerkt in overeenstemming met artikel 35, en een afschrift van de bewijsstukken of van het resultaat van de raadpleging van een informatiebron, bedoeld in artikel 27, gedurende tien jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie met hun cliënt of vanaf de datum van een occasionele verrichting;

2° onder voorbehoud van andere toepasselijke wetgevingen, de bewijsstukken en registratiegegevens van verrichtingen, die nodig zijn voor het identificeren en nauwkeurig reconstrueren van de uitgevoerde verrichtingen, gedurende tien jaar vanaf de uitvoering van de verrichting;

3° het geschreven verslag, opgemaakt op grond van de artikelen 45 en 46, overeenkomstig met de in 2° beschreven modaliteiten.

In afwijking van het eerste lid, worden de in dit lid bedoelde bewaartermijnen van tien jaar teruggebracht tot zeven jaar in 2017, en respectievelijk acht en negen jaar in 2018 en 2019.

Art. 61

In afwijking van artikel 60, 1°, kunnen de onderworpen entiteiten de bewaring van een afschrift van de daar bedoelde bewijsstukken vervangen door de bewaring van de verwijzingen van deze stukken, op voorwaarde dat de verwijzingen, wegens hun aard en de bewaringsmodaliteiten ervan, met zekerheid mogelijk maken voor de onderworpen entiteit om de betreffende stukken onmiddellijk te overleggen op verzoek van de CFI of andere bevoegde autoriteiten, gedurende de bewaringsperiode bepaald in hetzelfde artikel, en zonder dat deze stukken ondertussen zouden kunnen gewijzigd of veranderd zijn.

De onderworpen entiteiten die voornemens zijn om gebruik te maken van de afwijking bedoeld in het eerste lid preciseren voorafgaand, in het kader van hun interne controleprocedures, de categorieën van bewijsstukken waarvan ze de verwijzingen bewaren in plaats van een afschrift, evenals de opvragingsmodaliteiten van de betreffende stukken die mogelijk maken om ze, overeenkomstig het eerste lid, op verzoek te overleggen.

Art. 62

§ 1. Onder voorbehoud van andere toepasselijke wetgevingen, hebben de onderworpen entiteiten de verplichting de persoonsgegevens te wissen bij het verstrijken van de bewaringstermijn bedoeld in artikel 60.

§ 2. Met betrekking tot de bewaring van documenten en informatie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, betreffende de zakelijke relaties of de verrichtingen die zijn beëindigd of afgesloten tot en met 5 jaar vóór de inwerkingtreding van deze wet, zijn de bewaartermijnen zeven jaar voor de bedoelde documenten en informatie.

Art. 63

De onderworpen entiteiten beschikken over systemen die hen in staat stellen ten volle te reageren, binnen de termijn bepaald in artikel 48 en via beveiligde kanalen, zodat de volledige vertrouwelijkheid gewaarborgd blijft, op verzoeken om informatie van de CFI in toepassing van van artikel 81, van de gerechtelijke overheden of van de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden, om te antwoorden op de vraag of de betrokken entiteiten een zakelijke relatie onderhouden, of gedurende een periode van tien jaar voorafgaand aan het verzoek een zakelijke relatie onderhouden hebben, met een gegeven persoon en, in voorkomend geval, op vragen over de aard van die relatie.

Art. 64

§ 1. De verwerking van de persoonsgegevens krachtens deze wet is onderworpen aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en aan de bepalingen van de Europese verordeningen die rechtstreekse werking hebben. Deze verwerking van persoonsgegevens is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang in de zin van artikel 5 van dezelfde wet.

§ 2. Persoonsgegevens worden door onderworpen entiteiten op basis van deze wet alleen verwerkt met het oog op het voorkomen van WG/FT en worden niet verder verwerkt op een manier die niet verenigbaar is met deze doelstellingen.

De verwerking van persoonsgegevens op basis van deze wet voor andere doeleinden dan deze voorzien door deze wet, met name commerciële doeleinden, is verboden.

§ 3. De onderworpen entiteiten verstrekken aan hun cliënten de bij artikel 9 van de voornoemde wet van 8 december 1992 voorgeschreven informatie alvorens een zakelijke relatie aan te gaan of een occasionele verrichting uit te voeren.

Die informatie bevat in het bijzonder een algemene kennisgeving aangaande de door of krachtens voornoemde wet voor onderworpen entiteiten geldende wettelijke verplichtingen bij de verwerking van persoonsgegevens met het oog op het voorkomen van WG/FT.

Art. 65

De persoon op wie krachtens deze wet de verwerking van de persoonsgegevens van toepassing is, geniet niet van het recht op toegang en de rectificatie van zijn gegevens, noch van het recht op vergetelheid, op gegevensoverdraagbaarheid of om bezwaren aan te voeren, noch van het recht om niet geprofileerd te worden, noch van kennisgeving van de veiligheidsgebreken.

Het recht op toegang van de betrokken persoon tot de persoonsgegevens die hem betreffen, wordt onrechtstreeks uitgeoefend, krachtens artikel 13 van de voornoemde wet van 8 december 1992, bij de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer zoals ingesteld door artikel 23 van dezelfde wet.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer deelt uitsluitend aan de verzoeker mede dat de nodige verificaties werden verricht en over het resultaat daarvan wat de rechtmatigheid van de verwerking in kwestie betreft. Deze gegevens kunnen worden meegedeeld aan de verzoeker wanneer de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, in overeenstemming met de CFI en na advies van de verantwoordelijke voor de verwerking, enerzijds vaststelt dat de mededeling ervan niet vatbaar is voor bekendmaking van het bestaan van een melding van een vermoeden bedoeld in 47 en 54, van de gevolgen die hieraan werden gegeven of van de uitoefening door de CFI van haar recht om bijkomende inlichtingen te vragen op grond van artikel 81, noch vatbaar is om de doelstelling van de strijd tegen WG/FT in het gedrang te brengen, en anderzijds vaststelt dat de betreffende gegevens betrekking hebben op de verzoeker en door onderworpen entiteiten, de CFI of de toezichtautoriteiten worden bijgehouden voor toepassing van deze wet.