Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 35 en 36

Art. 35

§ 1. De onderworpen entiteiten leggen ten aanzien van de zakelijke relatie een doorlopende waakzaamheid aan de dag die evenredig is met het overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, geïdentificeerd risiconiveau, wat met name het volgende inhoudt:

1° een aandachtig onderzoek van de verrichtingen uitgevoerd gedurende de zakelijke relatie en indien nodig van de oorsprong van de geldmiddelen, om te verifiëren of deze verrichtingen stroken met de kenmerken van de cliënt, het doel en de aard van de zakelijke relatie of de voorgenomen verrichting en met het risicoprofiel van de cliënt, om atypische verrichtingen op te sporen die moeten worden onderworpen aan een grondige analyse overeenkomstig artikel 45;

2° het actueel houden van de gegevens die worden bijgehouden overeenkomstig de afdelingen 2 en 3, met name wanneer elementen die relevant zijn voor de individuele risicobeoordeling bedoeld in artikel 19 worden gewijzigd.

De bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid, 2°, en van de verificatie van deze gegevens wordt verricht overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 29.

In het kader van de bijwerking van de informatie die ze over hun cliënten bijhouden, nemen de onderworpen entiteiten maatregelen als bedoeld in artikel 41, § 1, 1°, die hen in staat stellen om onder hun cliënten, de personen te identificeren die politiek prominente personen zijn geworden, familieleden van politiek prominente personen of personen bekend als naaste geassocieerden van politiek prominente personen; in voorkomend geval beslist het hoger leidinggevend personeel om de zakelijke relatie al dan niet voort te zetten en zijn de andere maatregelen van verhoogde waakzaamheid bedoeld in artikel 41, § 1, van toepassing.

Onverminderd artikel 17, derde lid, impliceert de bijwerking van de informatie overeenkomstig het derde lid, indien dit noodzakelijk is, dat de individuele risicobeoordeling bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, eveneens wordt bijgewerkt ten aanzien van de betrokken cliënten en in voorkomend geval, dat de draagwijdte van de getroffen maatregelen van doorlopende waakzaamheid wordt aangepast.

§ 2. Indien de onderworpen entiteiten redenen hebben om aan te nemen dat ze niet zullen kunnen voldoen aan hun verplichting bedoeld in paragraaf 1, mogen zij geen zakelijke relatie aangaan, noch een verrichting voor de cliënt uitvoeren. Wanneer ze, ten aanzien van bestaande klanten niet kunnen voldoen aan die verplichting, beëindigen ze de zakelijke relatie die reeds werd aangegaan of passen ze in voorkomend geval de alternatieve beperkende maatregelen toe bedoeld in artikel 33, § 1, derde lid.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid onderzoeken de onderworpen entiteiten, overeenkomstig artikel 46, of de redenen waarom niet kan worden voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, een vermoeden van WG/FT doen rijzen en of er reden is tot melding aan de CFI.

§ 3. Paragraaf 2 is niet van toepassing op de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, onder de strikte voorwaarde dat zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen of deze cliënt verdedigen of vertegenwoordigen in of in verband met een rechtsgeding, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een dergelijk rechtsgeding.

Art. 36

Elke onderworpen entiteit zorgt ervoor dat haar personeelsleden, alsook haar agenten en distributeurs die een verrichting die ze als atypisch beschouwen in de zin van artikel 35, § 1, 1°, of het feit dat ze niet kunnen voldoen aan de waakzaamheidsverplichtingen bedoeld in de artikelen 33, § 1, 34, § 3, en 35, § 2, intern melden, worden beschermd tegen elke bedreiging of daad van agressie, en in het bijzonder tegen nadelig of discriminerend optreden van de werkgever.