Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 136 tot 138

Art. 136

Voor de toepassing van deze wet en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, worden gestraft zij die inspecties en verificaties hinderen van de toezichtautoriteiten waartoe zij verplicht zijn in het land of in het buitenland of die weigeren de gegevens te verstrekken die ze gehouden zijn mee te delen op grond van deze wet of die bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekken:

1° voor de in artikel 5, § 1, 1° tot en met 10°, 14°, en 17° tot en met 22° bedoelde onderworpen entiteiten, met de straffen bepaald in artikel 36/20, § 1, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank;

2° voor de in artikel 5, § 1, 11° tot en met 13°, 15° en 16°, bedoelde onderworpen entiteiten, met de straffen bepaald in artikel 87, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;

3° voor de in artikel 5, § 1, 23° tot en met 33°, bedoelde onderworpen entiteiten, met een geldboete van 150 euro tot 5 000 euro.

Art. 137

Worden bestraft met een geldboete van 250 tot 225 000 euro:

1° zij die in strijd zijn met de bepalingen van artikel 66, § 2, eerste lid, of van artikel 67. De geldboete mag evenwel niet meer bedragen dan tien procent van de betaling of de schenking;

2° in afwijking van artikel 136, zij die met opzet, de vervulling van de opdracht van politieambtenaren of de ambtenaren aangesteld door de minister van Economie verhinderen of belemmeren krachtens artikel XV.2 van het Wetboek van economisch recht wanneer zij handelen in het kader van de toezichtsbevoegdheden toegekend aan de Federale Overheidsdienst Economie, KMO en Middenstand en Energie door artikel 85, § 3, van deze wet.

De ambtenaren aangesteld door de minister van Economie krachtens artikel XV.2 van het Wetboek van economisch recht kunnen een waarschuwing richten aan de overtreder, overeenkomstig artikel XV.31 van hetzelfde wetboek of hem de betaling van een som voorstellen die de strafvordering doet vervallen, overeenkomstig artikel XV.61 van voornoemd wetboek.

Art. 138

§ 1. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven die door deze titel worden bestraft.

§ 2. Rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of hun lasthebbers met toepassing van deze titel worden veroordeeld.

§ 3. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een in deze titel omschreven overtreding, moet ter kennis worden gebracht van de toezichtautoriteit die bevoegd is op grond van artikel 85, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.

Iedere strafrechtelijke vordering op grond van een in deze titel bedoeld misdrijf moet door het openbaar ministerie ter kennis worden gebracht van de op grond van artikel 85 bevoegde toezichtautoriteit.

§ 4. De op grond van artikel 85 bevoegde toezichtautoriteit is gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze titel bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeft aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.