Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 132 tot 135

Art. 132

§ 1. Onverminderd andere bij deze wet of bij andere wettelijke of reglementaire bepalingen voorgeschreven maatregelen, kunnen de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85 of, in voorkomend geval, de bij andere wetten aangewezen autoriteiten, indien zij een inbreuk vaststellen op de bepalingen van boek II, van artikel 66, § 2, tweede en derde lid, of van artikel 90, vijfde lid, van deze wet of van de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen, of van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo’s, een administratieve geldboete opleggen aan de onderworpen entiteiten die onder hun bevoegdheid vallen en, in voorkomend geval, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van die entiteiten, van hun directiecomité en aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde inbreuk verantwoordelijk zijn.

§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde inbreuk werd begaan door een van de in artikel 5, § 1, 1° tot en met 22°, bedoelde onderworpen entiteiten, bedraagt de in dezelfde paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete, voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten:

1° minimum 10 000 euro en maximum tien procent van de jaarlijkse netto-omzet van het voorbije boekjaar, indien het gaat om een rechtspersoon;

2° minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro, indien het gaat om een natuurlijke persoon.

Indien de in paragraaf 1 bedoelde inbreuk werd begaan door een van de in artikel 5, § 1, 23° tot en met 33°, bedoelde entiteiten, bedraagt de in dezelfde paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete, voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten, minimum 250 euro en maximum 1 250 000 euro.

§ 3. Het bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete wordt vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, en met name met:

1° de ernst en de duur van de inbreuken;

2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;

3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;

4° het voordeel of de winst die de inbreuken eventueel opleveren voor de betrokkene voor zover die kunnen worden bepaald;

5° het nadeel dat derden eventueel hebben geleden door deze inbreuken, voor zover dit kan worden bepaald;

6° de mate van medewerking van de betrokkene met de bevoegde autoriteiten;

7° eventuele vroegere inbreuken die gepleegd zijn door de betrokkene.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1, is de autoriteit die bevoegd is om een administratieve geldboete op te leggen ten aanzien van de onderworpen [entiteit] bedoeld in artikel 5, § 1, 1° […], de minister van Financiën, en ten aanzien van bpost, de minister bevoegd voor deze laatste.

§ 4 gewijzigd bij artikel 119 van de wet van 30 juli 2018 – BS 10 augustus 2018

§ 5. De minister van Financiën kan overeenkomstig de paragrafen 2 en 3 een administratieve geldboete opleggen ten aanzien van personen die de in artikel 5, § 3, bedoelde vrijstelling genieten en die niet voldoen aan de voorwaarden waaraan deze vrijstelling is onderworpen. Wanneer de toezichtautoriteit die bevoegd is voor de categorie van onderworpen entiteiten waartoe de betrokkene behoort, overeenkomstig artikel 85 een federale overheidsdienst is, kan deze administratieve boete worden opgelegd door de minister die verantwoordelijk is voor die federale overheidsdienst.

§ 6. Onverminderd andere bij deze wet of bij andere wettelijke of reglementaire bepalingen voorgeschreven maatregelen, kan de minister van Financiën, wanneer hij een inbreuk vaststelt op artikel 58/11, derde en vierde lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, of op artikel 14/1, tweede en derde lid, van het Wetboek van Vennootschappen, of op de kwaliteit van de overgemaakte gegevens bedoeld in voornoemde artikelen, een administratieve geldboete opleggen aan de bestuurders bedoeld in artikel 58/11 van de voornoemde wet en in artikel 14/1 van het voornoemde wetboek, en, in voorkomend geval, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van die entiteiten, van hun directiecomité en aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde inbreuk verantwoordelijk zijn.

De administratieve geldboete bedoeld in het eerste lid bedraagt minimum 250 euro en maximum 50 000 euro.

Het bedrag van de administratieve geldboete bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld, overeenkomstig het tweede lid, rekening houdend met alle relevante omstandigheden vermeld in paragraaf 3, 1° tot en met 7°.

Art. 133

§ 1. Wanneer de FSMA een administratieve geldboete oplegt met toepassing van artikel 132, § 1, zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 5, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten van toepassing.

§ 2. Wanneer de Kansspelcommissie een administratieve geldboete oplegt met toepassing van artikel 132, § 1, zijn de bepalingen van de artikelen 15/4 tot en met 15/7 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers van toepassing.

§ 3. De administratieve geldboete bedoeld in artikel 132, §§ 1 en 6, wordt door de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85 of, in voorkomend geval, de bij andere wetten aangewezen autoriteiten, de minister van Financiën of de minister bevoegd voor bpost, met toepassing van artikel 132, §§ 4 en 6, opgelegd nadat de betrokken onderworpen entiteit of persoon werd gehoord of minstens behoorlijk werd opgeroepen.

§ 4. De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 5° tot en met 12°, of, in voorkomend geval, de bij andere wetten aangewezen autoriteiten, stellen de nodige procedureregels vast voor het opleggen van een administratieve geldboete met toepassing van artikel 132 ten aanzien van de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 21°, 23° tot en met 32°, en de verhaalmiddelen tegen een dergelijke sanctie.

De in het eerste lid bedoelde procedureregels en verhaalmiddelen hebben slechts uitwerking na goedkeuring ervan door de Koning. Indien de betrokken toezichtautoriteiten nalaten deze procedureregels en verhaalmiddelen vast te stellen of in de toekomst te wijzigen, kan de Koning deze Zelf vaststellen of wijzigen.

Art. 134

De administratieve geldboetes die met toepassing van deze titel worden opgelegd, worden ingevorderd door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.

Art. 135

§ 1. De toezichtautoriteiten, of, in voorkomend geval, de bij andere wetten aangewezen autoriteiten, de minister van Financiën en de minister bevoegd voor bpost informeren de CFI over de administratieve geldboetes die ze met toepassing van deze titel opleggen, evenals over een eventueel beroep daartegen en over de uitkomst van dat beroep.

§ 2. De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 3° tot en met 5°, informeren de ETA’s over de administratieve geldboetes die ze met toepassing van deze titel opleggen aan de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot en met 21°, evenals over een eventueel beroep daartegen en over de uitkomst van dat beroep.

§ 3. De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 1°, en 5° tot en met 13°, of, in voorkomend geval, de bij andere wetten aangewezen autoriteiten, de minister van Financiën en de minister bevoegd voor bpost, maken hun beslissingen tot het opleggen van een administratieve sanctie met toepassing van deze titel of een toezichtmaatregel, bedoeld in titel 4, hoofdstukken 4 tot en met 7, nominaal bekend op hun officiële website onmiddellijk nadat de betrokkenen op de hoogte zijn gebracht van deze beslissingen.

De bekendmaking bevat minstens informatie over de soort en aard van de inbreuk alsmede de identiteit van de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersonen.

Wanneer de bekendmaking van de identiteit van de verantwoordelijke personen bedoeld in het tweede lid, of de persoonsgegevens van deze personen, door de toezichtautoriteiten bedoeld in het eerste lid, de minister van Financiën of de minister bevoegd voor bpost, als onevenredig wordt beschouwd, na een beoordeling per geval van de evenredigheid van de bekendmaking van die gegevens, of wanneer de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend onderzoek schaadt, handelen de voornoemde toezichtautoriteiten, de minister van Financiën en de minister bevoegd voor bpost als volgt:

1° uitstel van de bekendmaking van de beslissing totdat de redenen voor niet-bekendmaking ophouden te bestaan;

2° anonieme bekendmaking van de beslissing, indien een dergelijke anonieme bekendmaking een doeltreffende bescherming van de betrokken persoonsgegevens waarborgt; in dat geval kan de bekendmaking van relevante gegevens worden uitgesteld gedurende een redelijke termijn indien wordt verwacht dat de redenen voor bekendmaking op anonieme basis binnen die termijn zullen vervallen;

3° niet-bekendmaking indien de onder de bepalingen 1° en 2° bedoelde mogelijkheden als ontoereikend worden beschouwd om te waarborgen dat:

a) dat de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar wordt gebracht; of

b) de bekendmaking van de beslissing evenredig is ten aanzien van toezichtmaatregelen die als van geringe aard worden beschouwd.

Indien een beroep is ingesteld tegen de beslissing wordt die informatie en alle latere informatie over de uitkomst van dat beroep onmiddellijk op de officiële website, bedoeld in het eerste lid, bekendgemaakt. Elke beslissing tot vernietiging van een eerdere beslissing wordt eveneens bekendgemaakt.

Alle informatie die overeenkomstig deze paragraaf wordt bekendgemaakt, blijft gedurende een termijn van vijf jaar na de bekendmaking op de officiële website, bedoeld in het eerste lid, staan.

In de bekendmaking opgenomen persoonsgegevens worden op de officiële website, bedoeld in het eerste lid, echter niet langer bewaard dan noodzakelijk is overeenkomstig de toepasselijke regelgeving betreffende de bescherming van persoonsgegevens.