Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikelen 129 tot 131

Art. 129

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1° “Belgische toezichtautoriteiten“: de autoriteiten bedoeld in artikel 85;

2° “Belgische onderworpen entiteiten”: de entiteiten bedoeld in artikel 5, §§ 1 en 4.

Art. 130

§ 1. Met het oog op een doeltreffende uitoefening van de toezichtsbevoegdheden omschreven in titel 4 ten aanzien van de Belgische onderworpen entiteiten die bijkantoren, dochterondernemingen of andere vestigingsvormen zijn van onderworpen entiteiten die onder het recht van een andere lidstaat of een derde land ressorteren, werken de Belgische toezichtautoriteiten samen en wisselen zij alle nuttige informatie uit met de bevoegde toezichtautoriteiten van de betrokken lidstaat of van het betrokken derde land.

Daarnaast werken de Belgische toezichtautoriteiten samen en wisselen zij alle nodige informatie uit met de bevoegde toezichtautoriteiten van een andere lidstaat of van een derde land die toezicht uitoefenen op de naleving van de gedragslijnen en procedures bedoeld in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2015/849, op het niveau van de groep waarvan een Belgische onderworpen entiteit als bedoeld in het eerste lid, deel uitmaakt.

§ 2. Met het oog op een doeltreffend toezicht op de naleving van de bepalingen van boek II, titel 1, hoofdstuk 2, werken de Belgische toezichtautoriteiten samen en wisselen zij alle nuttige informatie uit met de bevoegde toezichtautoriteiten van de lidstaten en de derde landen waarin de groep waarvan de Belgische onderworpen entiteit deel uitmaakt, andere vestingen heeft.

Ze werken samen en wisselen met name informatie uit om te bepalen of de toepassingsvoorwaarden van artikel 43, § 2, tweede lid, vervuld zijn.

§ 3. Wanneer de Bank een maatregel wil nemen als bedoeld in artikel 95, waarschuwt ze de bevoegde toezichtautoriteit van de lidstaat waaronder de betrokken entiteit ressorteert en werkt ze samen met deze entiteit om de vastgestelde ernstige inbreuken zo spoedig mogelijk te beëindigen.

§ 4. De Belgische toezichtautoriteiten delen aan de bevoegde toezichtautoriteiten van de lidstaten of derde landen alle nuttige informatie mee voor de uitoefening van hun bevoegdheid om aan de onderworpen entiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, sancties en maatregelen op te leggen overeenkomstig de artikelen 58 tot en met 60 van Richtlijn 2015/849 of de gelijkwaardige bepalingen van hun nationaal recht.

Art. 131

De samenwerking en de uitwisseling op grond van artikel 130 van de door het beroepsgeheim gedekte informatie, zijn afhankelijk van de naleving van ten minste één van de volgende voorwaarden:

1° de bevoegde toezichtautoriteit van de lidstaat of van het derde land is, overeenkomstig de bepalingen van zijn nationaal recht, onderworpen aan een regeling inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig is aan de regeling waaraan de Belgische toezichtautoriteiten zijn onderworpen;

2° de bevoegde toezichtautoriteit van de lidstaat of van het derde land heeft met de Belgische toezichtautoriteit een samenwerkingsakkoord gesloten dat voorziet in:

a) de wederkerigheid van de mededelingen van informatie;

b) het verbod om de meegedeelde informatie voor andere doelen dan het toezicht op de naleving van de verplichtingen tot voorkoming van WG/FTP door de groep of de onderworpen entiteiten die er deel van uitmaken, of het prudentiële toezicht erop, te gebruiken, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit die ze meedeelt;

c) het verbod om ontvangen informatie door te sturen aan eender welke derde, behoudens voorafgaande en schriftelijke toestemming van de autoriteit die ze meedeelt.