Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikel 90

Art. 90

De toezichtautoriteiten stellen effectieve en betrouwbare mechanismen in voor de melding door de leidinggevenden, personeelsleden, agenten en distributeurs van de onderworpen entiteiten of door derden, aan deze autoriteiten, van mogelijke of werkelijke inbreuken op de bepalingen van deze wet, van de besluiten of reglementen genomen ter uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen, en van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo’s.

De in het eerste lid bedoelde mechanismen omvatten specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen van inbreuken en de opvolging ervan.

De toezichtautoriteit kan de identiteit van de persoon die de melding verricht heeft, niet bekendmaken aan de onderworpen entiteit of aan derden.

Er kan geen enkele burgerlijke rechtsvordering, straf- of tuchtvordering worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie worden uitgesproken tegen het personeelslid of de vertegenwoordiger van de onderworpen entiteit die te goeder trouw een melding heeft gericht aan de toezichtautoriteit, wegens het feit dat hij de genoemde melding heeft verricht. Deze bescherming is eveneens van toepassing wanneer de te goeder trouw verrichte melding, gegevens bevat die voorkomen of zouden moeten voorkomen in een melding van een verdachte verrichting.

Elke ongunstige of discriminatoire behandeling van deze persoon, evenals elke beëindiging van de arbeidsverhouding of de vertegenwoordiging wegens de melding die deze persoon heeft verricht, is verboden.

[De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de toepassing van bijzondere bepalingen betreffende de melding van inbreuken aan een toezichtautoriteit.]

6de lid ingevoegd bij artikel 116 van de wet van 30 juli 2018 – BS 10 augustus 2018