Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikel 34

Art. 34

§ 1. De onderworpen entiteiten nemen passende maatregelen om de kenmerken van de cliënt en het doel en de aard van de zakelijke relatie of de voorgenomen occasionele verrichting te beoordelen.

Ze vergewissen zich er met name van dat ze beschikken over de informatie die nodig is voor de tenuitvoerlegging van het cliëntacceptatiebeleid bedoeld in artikel 8, voor de uitvoering van de verplichting tot doorlopende waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relaties en de verrichtingen, overeenkomstig afdeling 4, en voor de specifieke verplichting tot verhoogde waakzaamheid, overeenkomstig hoofdstuk 2.

Ze nemen met name redelijke maatregelen om te bepalen of de geïdentificeerde personen, met toepassing van afdeling 2, met inbegrip van de uiteindelijke begunstigde van de begunstigde van een levensverzekeringsovereenkomst, politiek prominente personen, familieleden van politiek prominente personen of personen bekend als naaste geassocieerden van politiek prominente personen zijn.

Deze informatie moet ten laatste worden verkregen op het tijdstip waarop de zakelijke relatie wordt aangegaan of de occasionele verrichting wordt uitgevoerd. De daartoe genomen maatregelen zijn evenredig met het overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, geïdentificeerd risiconiveau.

§ 2. De onderworpen entiteiten die elektronisch geld uitgeven, kunnen op basis van een passende beoordeling van het WG/FT-risico overeenkomstig artikel 16, die een laag risico aantoont, afwijken van paragraaf 1 ten aanzien van cliënten in het kader van de uitgifte van elektronisch geld, indien de risicobeperkende voorwaarden opgesomd in artikel 25 vervuld zijn.

§ 3. Indien de onderworpen entiteiten niet kunnen voldoen aan hun verplichting bedoeld in paragraaf 1, mogen zij geen zakelijke relatie aangaan, noch een verrichting, in het bijzonder een verrichting via een bankrekening, voor de cliënt uitvoeren. Ze beëindigen bovendien de zakelijke relatie die reeds werd aangegaan of passen in voorkomend geval de alternatieve, beperkende maatregelen toe, bedoeld in artikel 33, § 1, derde lid.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid onderzoeken de onderworpen entiteiten overeenkomstig artikel 46 of de redenen waarom niet kan worden voldaan aan de in paragraaf 1 bedoelde verplichting een vermoeden van WG/FT doen rijzen en of er reden is tot melding aan de CFI.

§ 4. Paragraaf 3 is niet van toepassing op de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, onder de strikte voorwaarde dat zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen of deze cliënt verdedigen of vertegenwoordigen in of in verband met een rechtsgeding, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een dergelijk rechtsgeding.