Antiwitwaswet van 18 september 2017 - Artikel 19

Art. 19

§ 1. De onderworpen entiteiten nemen ten aanzien van hun cliënten waakzaamheidsmaatregelen die bestaan in het volgende:

1° het identificeren en verifiëren van de identiteit van de personen bedoeld in afdeling 2, overeenkomstig de bepalingen van voornoemde afdeling;

2°  beoordelen van de kenmerken van de cliënt en het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie of de occasionele verrichting en daartoe in voorkomend geval bijkomende informatie inwinnen, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3; en

3° een doorlopende waakzaamheid aan de dag leggen ten aanzien van de zakelijke relaties en verrichtingen, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde waakzaamheidsmaatregelen zijn gebaseerd op een individuele beoordeling van de WG/FT-risico’s, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de cliënt en de zakelijke relatie of de betrokken verrichting. Deze individuele risicobeoordeling houdt bovendien rekening met de algemene risicobeoordeling bedoeld in artikel 16, eerste lid, evenals met de variabelen en factoren bedoeld in het tweede lid van hetzelfde artikel waarmee deze laatste met name rekening houdt.

Wanneer ze in het kader van hun individuele risicobeoordeling bedoeld in het eerste lid, gevallen van hoog risico identificeren, nemen de onderworpen entiteiten maatregelen van verhoogde waakzaamheid. Ze kunnen vereenvoudigde waakzaamheidsmaatregelen toepassen indien ze gevallen van laag risico identificeren.

De onderworpen entiteiten zorgen er in elk geval voor dat ze tegenover de toezichtautoriteiten die bevoegd zijn op grond van artikel 85 kunnen aantonen dat de waakzaamheidsmaatregelen die ze toepassen, in verhouding staan tot het geïdentificeerde WG/FT-risico.