Analyse van de atypische arbeidsvormen in België

Artikel gepubliceerd in het Economisch tijdschrift van Juni 2019

De arbeidsvormen worden steeds diverser om in te spelen op de veranderingen in de economie en in de maatschappij.

Download het artikel Perscommuniqué

Vanaf 2019 wordt de volledige versie van de artikels van het Economisch Tijdschrift in het Engels gepubliceerd, met een digest in het Nederlands en het Frans.

Digest

Dit artikel handelt over de atypische arbeidsvormen in België. De term atypisch heeft betrekking op alle arbeidsvormen die afwijken van de klassieke arbeidsovereenkomst, namelijk een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Deze analyse is toegespitst op de zelfstandige arbeid, de tijdelijke arbeidsovereenkomsten en de deeltijdwerkers. De aangroei van de atypische arbeidsvormen houdt grotendeels verband met de ingrijpende veranderingen in de maatschappij en de economie, zoals de mondialisering en de tertiarisering van de economie, de vervrouwelijking en de vergrijzing van de beroepsbevolking, de technische vooruitgang en de digitalisering. Die veranderingen worden ook deels in de hand gewerkt door de aanpassingen van de arbeidsreglementering. In België kan worden vastgesteld dat deze ontwikkelingen niet gepaard gaan met een verslechtering van de arbeidsomstandigheden, ook al dienen er enkele nuances te worden aangebracht. Wat er ook van zij, aangezien de klassieke arbeidsovereenkomst geleidelijk aan terrein prijsgeeft, is het wenselijk de arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van de banen in het oog te houden, ongeacht de beroepscategorie, het type arbeidsovereenkomst of de arbeidsduur. 

1. Zelfstandigen

Sinds 2005 is het aandeel van de zelfstandigen in de werkgelegenheid in België licht gestegen tot 17 %, in tegenstelling tot de dalende tendens in de EU. Verscheidene factoren hebben daartoe bijgedragen, waaronder de dynamiek van de vrije beroepen, de opeenvolgende verbeteringen aan het sociale stelsel, de mogelijkheid om als zelfstandige pensioen en inkomen te combineren, de steeds grotere aantrekkingskracht van flexibiliteit, enz.

Zelfstandige arbeid wordt getypeerd door veel langere werktijden dan bij loontrekkenden. Terwijl drie loontrekkenden op tien verklaren meer dan 40 uur per week te werken, geldt dat voor acht zelfstandigen op tien. De werkkrachten die verklaren meer dan 60 uur per week te werken, omvatten zeer weinig loontrekkenden, maar nog altijd een derde van de zelfstandigen. Desondanks ligt de armoederisicograad bij de zelfstandigen hoger: 14 % van hen beschikt over een inkomen onder de armoedegrens, tegen 4 % bij de loontrekkenden. Bovendien moet worden beklemtoond dat het sociaal statuut van de zelfstandigen sterk verschilt van dat van de loontrekkenden. De bijdragen van zelfstandigen zijn lager dan de heffingen op het inkomen van de loontrekkenden (werkgevers- en werknemersbijdragen samen), maar dit biedt hen ook minder rechten. Zo hebben ze geen recht op werkloosheidsuitkeringen. Er werden maatregelen genomen om hun sociaal statuut te verbeteren, zoals de verlenging van het zwangerschapsverlof en de verhoging van het minimumpensioen. Niettemin verklaren meer zelfstandigen dan loontrekkenden zeer tevreden te zijn over hun beroepssituatie (55 %, tegen 49 % voor de loontrekkenden). Vrijwel alle zelfstandigen (negen op tien) wensen trouwens niet van statuut te veranderen. Slechts een zeer klein deel van de zelfstandigen wordt in België als economisch afhankelijk beschouwd (1,5 %). Dat resultaat houdt verband met het feit dat we een van de weinige landen zijn die aan de definitie van het statuut van zelfstandige twee concrete criteria hebben toegevoegd om dubbelzinnigheid te verminderen: de relatie van ondergeschiktheid en de autonomie bij het werk.

 
Grafiek 1 - Wekelijkse arbeidstijd naar statuut

(aantal per week gewerkte uren, in % van het totaal ongerekend variabele werktijden, 2017)

Bron: EC —

Bepaalde persoonlijke kenmerken beïnvloeden de kans om zelfstandig te zijn. In tegenstelling tot de EU neemt in België de kans om zelfstandig te zijn toe met het scholingsniveau. Dat resultaat wordt sterk in de hand gewerkt door het hoge aandeel van de vrije beroepen bij de zelfstandigen. De leeftijd oefent ook een aanzienlijke invloed uit. De kans om als zelfstandige te werken neemt gedurende de loopbaan geleidelijk toe, namelijk van 2 % voor de 15-19-jarigen tot 30 % voor de 60-64-jarigen. Boven de pensioenleeftijd bedraagt die kans meer dan 60 %. De mogelijkheid voor gepensioneerden om hun pensioen te combineren met het inkomen uit een zelfstandige activiteit, draagt daar zeker toe bij. Uit een analyse naar geslacht blijkt dat mannen zich sterker aangetrokken voelen door het zelfstandigenstatuut; een vrouw maakt ongeveer 8 % minder kans zelfstandig te zijn dan een man. 

2. Tijdelijke arbeidsovereenkomsten

Tijdelijke arbeidsovereenkomsten omvatten overeenkomsten voor bepaalde duur, uitzendcontracten, vervangingsovereenkomsten, overeenkomsten voor de uitvoering van een duidelijk omschreven taak en studentenarbeid. Tot in 2014 veranderde het aandeel van dat type arbeidsovereenkomst in de gesalarieerde werkgelegenheid nauwelijks en schommelde het rond de 8 %. Sindsdien neemt het steeds sneller toe: in 2017 beliep het aandeel 10 %. Ondanks die toename blijven vaste arbeidsovereenkomsten in België de norm, aangezien negen loontrekkenden op tien beschikken over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, wat een hoger aandeel is dan het gemiddelde in de EU (86 %). Die toename valt samen met de afschaffing van het proefbeding, die werd bekrachtigd op het ogenblik van de harmonisering van het arbeiders- en het bediendenstatuut. Sindsdien verkiezen tal van werkgevers eerst een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden (arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of uitzendcontract), om na te gaan of de werknemer het gewenste profiel heeft.

Typisch voor België is het intensieve gebruik van zeer kortstondige tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Bijna één arbeidsovereenkomst op vier wordt gesloten voor minder dan een maand; in de EU ligt die verhouding vier- tot vijfmaal lager.  

 
Grafiek 2  - Tijdelijke overeenkomsten naar arbeidsduur

(in % van het totale aantal tijdelijke overeenkomsten, 2017)

Bron: EC —

Terwijl de soepele aanwending van de verschillende vormen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor de werkgever een voordeel is, kan die voor de werknemer bepaalde nadelen inhouden op het gebied van loopbaanvooruitzichten, instabiele werkgelegenheid en inkomen. De meeste werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst (70 %) werken trouwens niet tijdelijk uit vrije wil, maar omdat ze er niet in geslaagd zijn een betrekking voor onbepaalde duur te vinden. Wegens de instabiliteit van de werkgelegenheid en dus van het inkomen die intrinsiek aan dat type van arbeidsovereenkomst verbonden is, vooral voor de zeer kortstondige overeenkomsten, is de armoederisicograad veel hoger bij tijdelijke werknemers dan bij werknemers met een vaste arbeidsovereenkomst (13 %, tegen 3 %). Het gaat doorgaans echter om een overgangssituatie, omdat bijna 40 % van de werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst het daaropvolgende jaar een vaste overeenkomst krijgt.

Aangezien werken met een tijdelijke arbeidsovereenkomst zelden een persoonlijke keuze is, hoeft het niet te verwonderen dat verhoudingsgewijs meer kwetsbare werknemers in die situatie verkeren: vrouwen, jongeren, niet-EU-onderdanen en laaggeschoolden. De leeftijd van de werknemer is het meest doorslaggevende kenmerk. Jongeren maken een veel grotere kans dan de andere leeftijdsgroepen om een tijdelijke arbeidsovereenkomst te hebben. Die kans vermindert zeer snel naarmate de leeftijd oploopt:  ze daalt van 60 % voor wie jonger is dan 20 jaar tot 3 % voor de 50-64-jarigen. Voor jonge werknemers vormen tijdelijke arbeidsovereenkomsten steeds vaker een onvermijdelijke tussenfase vóór ze een vaste overeenkomst krijgen. Indien tijdelijke overeenkomsten elkaar opvolgen zonder op termijn te worden omgezet in een vaste arbeidsovereenkomst, leidt dat tot een grotere instabiliteit en een hoger armoederisico.

3. Deeltijdarbeid

Het sinds de jaren negentig toenemende aandeel van de deeltijdwerkers in de totale werkgelegenheid stabiliseerde zich de afgelopen jaren rond één werknemer op vier, vergeleken met 19 % in de EU. Die verhouding is hoger dan het gemiddelde in de EU, dat dicht bij één werknemer op vijf ligt. In België heeft het bestaan van diverse regelingen (tijdskrediet, loopbaanonderbreking en thematische verloven) die werknemers in staat stelden hun arbeidstijd te verminderen, zeker tot het succes van deeltijdwerk bijgedragen, vooral aan het einde van de loopbaan.

Naast zijn positieve effect op de werkgelegenheidsgraad kan deeltijdarbeid ook het evenwicht tussen het beroeps- en het gezinsleven van de werknemers verbeteren. Niettemin moet ook op negatieve effecten worden gewezen. Deeltijds werken kan samenhangen met een loonhandicap voor de werknemer, aangezien zijn uurloon lager ligt dan wat een voltijdwerker kan verdienen. Deeltijdwerkers hebben minder opleidings- en carrièrekansen en lopen een groter armoederisico dan voltijdwerkers - vooral als het om alleenstaande ouders gaat - hoewel dat risico beperkt blijft tot 6,5 % (4,3 % voor voltijdwerkers). De vraag of iemand al dan niet verplicht deeltijds werkt, is een fundamenteel element om te beoordelen hoe precair een dergelijke baan is. In België komt onvrijwillige deeltijdarbeid evenwel veel minder vaak voor dan gemiddeld in de EU (2 %, tegen 5 %). 

 
Grafiek 3  - Onvrijwillige deeltijdarbeid naar geslacht en leeftijd

(in % van de overeenstemmende totale werkgelegenheid)

Bron: EC —

De waarschijnlijkheid om deeltijds te werken, is het grootst voor vrouwen: een vrouw maakt viermaal meer kans op een vermindering van de arbeidsduur dan een man. Dat overwicht is toe te schrijven aan verschillende factoren. Zo nemen vrouwen vandaag de dag nog steeds een groter gedeelte van de opvoeding van de kinderen en van de huishoudelijke taken op zich dan mannen. In een gezin blijkt het bovendien vaak financieel voordeliger de arbeidsduur (en dus het loon) van de vrouw te verminderen (ceteris paribus verdienen mannen gemiddeld meer dan vrouwen). De kans om deeltijds te werken is ook sterk afhankelijk van de leeftijd. Ze is groter aan de beide uiteinden van de leeftijdsverdeling. In het begin van de loopbaan (jonger dan 25 jaar) maakt die formule het weliswaar mogelijk werken en studeren te combineren, maar voor die leeftijdscategorie is deeltijds werken het vaakste geen eigen keuze. Aan het einde van de loopbaan (60‑64 jaar) gebruiken werknemers deeltijdarbeid om hun arbeidsduur vóór hun pensionering te verminderen via regelingen als thematische verloven, tijdskrediet en loopbaanonderbrekingen.