1. Institutionele sectoren volgens het ESR2010


Inleiding

Het Europese systeem van rekeningen (hierna het ĄESR 2010Ē of het ĄESRĒ genoemd) is een internationaal compatibel boekhoudkundig raamwerk voor een systematische en uitvoerige beschrijving van een totale economie (een regio, land of groep landen), de elementen waaruit deze economie is opgebouwd en haar betrekkingen met andere totale economieŽn.

Het is de opvolger van het ESR95-systeem dat gepubliceerd werd in 1996.

Het ESR registreert alle output die het resultaat is van productie binnen de productiegrens.

Het onderscheid tussen markt- en niet-marktactiviteiten is van groot belang. Een entiteit in handen van de overheid die een marktgerichte vennootschap blijkt te zijn, wordt in de sector vennootschappen ingedeeld, buiten de sector overheid. Op die manier maken de tekorten en schulden van de vennootschap geen deel uit van het tekort en de schuld van de overheid.

Institutionele eenheden zijn economische entiteiten die zelfstandig goederen en activa kunnen bezitten, verplichtingen kunnen aangaan en economische activiteiten en transacties met andere eenheden kunnen verrichten. Voor het ESR-systeem zijn de institutionele eenheden ingedeeld in vijf elkaar uitsluitende binnenlandse institutionele sectoren:

Sectorrekeningen worden gecreŽerd door eenheden in sectoren onder te brengen, zodat transacties en saldi van de rekeningen naar sector kunnen worden gepresenteerd. Door de presentatie naar sector worden veel belangrijke meetwaarden voor economisch en begrotingsbeleid aangereikt. De belangrijkste sectoren zijn:

  • niet-financiŽle vennootschappen (S11)
  • financiŽle instellingen (S12),
  • overheid (S13),
  • huishoudens (S14),
  • instellingen zonder winstoogmerk (izw's) ten behoeve van huishoudens (S15),
  • het buitenland (S2)

De sectorrekeningen geven voor elk van de institutionele sectoren een systematische beschrijving van de verschillende fasen van het economische proces: productie, inkomensvorming, inkomensverdeling en -herverdeling, inkomensbesteding en financiŽle en niet-financiŽle accumulatie. De sectorrekeningen omvatten ook balansen voor een beschrijving van de standen van activa en passiva, en het vermogenssaldo aan het begin en het eind van de verslagperiode.

De vijf sectoren vormen gezamenlijk de totale binnenlandse economie. Iedere sector is onderverdeeld in subsectoren. Dankzij het ESR 2010-systeem kan een volledig rekeningenstelsel (inclusief balansen) worden samengesteld voor iedere sector en subsector, alsmede voor de totale economie. Niet-ingezeten eenheden kunnen betrekkingen aangaan met deze vijf binnenlandse sectoren; de interacties worden in dat geval weergegeven tussen de binnenlandse sectoren en een zesde institutionele sector, de sector buitenland.

Integrale versie van het ESR2010

2. Beschrijving van de verschillende sectoren


Niet-financiŽle vennootschappen (s.11)

Definitie: De sector niet-financiŽle vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiŽle diensten. De sector niet-financiŽle vennootschappen omvat tevens niet-financiŽle quasivennootschappen.

Het betreft de volgende institutionele eenheden:

a) particuliere en overheidsondernemingen die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiŽle diensten;

b) coŲperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiŽle diensten;

c) overheidsproducenten met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiŽle diensten;

d) instellingen of verenigingen zonder winstoogmerk ten behoeve van niet-financiŽle vennootschappen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiŽle diensten;

e) hoofdkantoren met zeggenschap over een groep ondernemingen die marktproducent zijn, waarbij de voornaamste activiteit van de groep als geheel ó gemeten op basis van de toegevoegde waarde ó bestaat in de productie van goederen en niet-financiŽle diensten.

FinanciŽle instellingen (s.12)

Definitie: de sector financiŽle instellingen (S.12) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van financiŽle diensten. Tot dergelijke institutionele eenheden behoren alle vennootschappen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met:

a) financiŽle intermediatie (financiŽle intermediairs), en/of

b) financiŽle hulpdiensten (financiŽle hulpbedrijven).

Ook behoren daartoe institutionele eenheden die financiŽle diensten verstrekken en die het merendeel van hetzij hun activa hetzij hun passiva niet op open markten verhandelen.

De sector financiŽle instellingen (S.12) omvat de volgende institutionele eenheden:

a) particuliere instellingen of instellingen in handen van de overheid met als hoofdfunctie financiŽle intermediatie en/of het verlenen van financiŽle hulpdiensten;

b) coŲperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiŽle intermediatie en/of het verlenen van financiŽle hulpdiensten;

c) overheidsproducenten met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiŽle intermediatie en/of het verlenen van financiŽle hulpdiensten;

d) instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiŽle intermediatie en/of het verlenen van financiŽle hulpdiensten, alsmede instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van financiŽle instellingen;

e) hoofdkantoren waarvan de meeste of alle dochterondernemingen zich als financiŽle instelling hoofdzakelijk bezighouden met financiŽle intermediatie en/of het verlenen van financiŽle hulpdiensten. Deze hoofdkantoren worden als financiŽle hulpbedrijven (S.126) ingedeeld;

f) holdings met als hoofdfunctie het in bezit hebben van de activa van een groep dochterondernemingen. De opzet van de groep kan financieel of niet-financieel zijn ó dit heeft geen invloed op de indeling van holdings als financiŽle instellingen binnen concernverband (S.127);

g) SPE's waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verlenen van financiŽle diensten;

h) beleggingsfondsen zonder rechtspersoonlijkheid, inclusief beleggingsportefeuilles die eigendom zijn van de groep van deelnemers en die in de regel beheerd worden door andere financiŽle instellingen. Dergelijke fondsen zijn afzonderlijke institutionele eenheden, afgescheiden van de financiŽle instellingen die het beheer uitoefenen;

i) eenheden zonder rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiŽle intermediatie die aan reglementering en toezicht onderworpen zijn (meestal ingedeeld als deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank, verzekeringsinstellingen of pensioenfondsen), worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten, alsmede een bestuursvorm die gescheiden is van die van hun eigenaars; hun economisch en financieel gedrag is vergelijkbaar met dat van financiŽle instellingen. In dat geval worden zij als afzonderlijke institutionele eenheden behandeld. Voorbeelden hiervan zijn bij kantoren van niet-ingezeten financiŽle instellingen

f) SPE's waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de levering van goederen of het verstrekken van niet-financiŽle diensten;

g) particuliere quasivennootschappen en quasivennootschappen in handen van de overheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiŽle diensten.

Overheid (S.13)

Definitie: de sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen

Tot sector S.13 behoren bijvoorbeeld de volgende institutionele eenheden:

a) instellingen van de overheid die bij wet zijn ingesteld om juridisch gezag uit te oefenen over andere eenheden in het economische gebied, en die een geheel van activiteiten, hoofdzakelijk bestaande in de levering van niet- marktgoederen en -diensten, ten behoeve van de samenleving beheren en financieren;

b) ondernemingen of quasivennootschappen waarvan de output hoofdzakelijk niet-marktoutput is en waarover een overheidsinstelling zeggenschap heeft;

c) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die niet-marktproducent zijn en waarover de overheid zeggenschap heeft;

d) zelfstandige pensioenfondsen, mits er een wettelijke verplichting is om bij te dragen en de overheid het fonds beheert wat de vaststelling en goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft.

Huishoudens (S.14)

Definitie: de sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiŽle diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiŽle diensten voortbrengen.

Huishoudens in hun hoedanigheid van consument kunnen worden gedefinieerd als kleine groepen van personen die dezelfde woning delen, die hun inkomen en vermogen samenvoegen en die bepaalde soorten goederen en diensten, voornamelijk huisvesting en voedsel, gezamenlijk verbruiken.

De sector huishoudens omvat:

a) personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie;

b) personen die permanent in instellingen wonen en die weinig of geen bevoegdheid hebben zelfstandig op te treden of beslissingen te nemen in economische aangelegenheden (bv. leden van religieuze orden die in kloosters wonen, chronisch zieken in ziekenhuizen, langgestraften in gevangenissen, permanente bewoners van verzorgingstehuizen). Deze personen worden als ťťn institutionele eenheid, d.w.z. als ťťn huishouden, beschouwd;

c) personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie, die uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiŽle diensten voortbrengen; in het systeem zijn slechts twee categorieŽn diensten voor eigen consumptie inbegrepen: diensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten door betaald huishoudelijk personeel;

d) eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover zij niet als quasivennootschappen worden behandeld, die marktproducent zijn, enNL 26.6.2013 Publicatieblad van de Europese Unie L 174/77

e) instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, of die wel rechtspersoonlijkheid bezitten, maar die van geringe betekenis zijn.

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15)

Definitie: de sector instellingen zonder winstoogmerk izw's) ten behoeve van huishoudens (S.15) bestaat uit izw's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen.

Indien dergelijke instellingen van geringe betekenis zijn, worden zij niet tot de sector izw's t.b.v. huishoudens, maar tot de sector huishoudens (S.14) gerekend, omdat hun transacties niet te onderscheiden zijn van de transacties van eenheden in die sector. Niet-markt-izw's t.b.v. huishoudens waarover de overheid zeggenschap heeft, worden ingedeeld in de sector overheid (S.13).

De sector izw's t.b.v. huishoudens omvat met name de volgende instellingen die niet-marktgoederen en -diensten aan huishoudens leveren:

a) vakbonden, beroepsorganisaties, wetenschappelijke verenigingen, consumentenverenigingen, politieke partijen, kerkgenootschappen en religieuze organisaties (inclusief die welke door de overheid worden gefinancierd, maar waarover de overheid geen zeggenschap heeft), sociale, culturele, recreatieve en sportverenigingen, en

b) liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties die worden gefinancierd door vrijwillige bijdragen in geld of in natura van andere institutionele eenheden.

Buitenland (S.2)

Definitie: onder de sector buitenland (S.2) wordt een groep eenheden verstaan die niet worden gekenmerkt door hun functie of inkomensbron. Het omvat niet-ingezeten eenheden, voor zover deze transacties plegen met ingezeten institutionele eenheden of andere economische banden hebben met ingezeten eenheden. De buitenlandrekeningen geven een overzicht van de economische betrekkingen tussen de nationale economie en het buitenland. De instellingen van de EU en internationale organisaties behoren ook hiertoe