Trimestriële bijwerking van van 20 februari 2012
| Maandelijkse Flash (11 mei 2012),
Printer versie Trimestriële bijwerking (PDF). |
|||||||||||||||||||||||||||||||
Executive summaryHet vierde kwartaal van 2011 werd gekenmerkt door een stijging van de verstrekking van bedrijfskredieten door ingezeten banken; die toename was weliswaar opnieuw kleiner dan in het voorgaande kwartaal. In België beliep de groei op jaarbasis 2,9 %, tegen 3,6 % in het derde kwartaal. De groei van de kortlopende kredieten was vergelijkbaar met die van de langlopende. Volgens de gegevens van de Kredietcentrale zijn de aanwendingsgraden van de toegestane kredieten stabiel gebleven voor de kleine ondernemingen, terwijl ze stegen voor de middelgrote en grote ondernemingen. De rentevoeten op nieuwe kredieten, ongeacht de bedragen en de looptijden, zijn verminderd ten opzichte van het voorgaande kwartaal. Volgens de banken zijn de kredietvoorwaarden voor het elfde kwartaal op rij onveranderd gebleven, dit na de verstrakkingen teweeggebracht door de financiële crisis, in 2008 en aan het begin van 2009. De algemene beoordeling van de kredietvoorwaarden door de ondernemingen was echter ongunstig voor alle ondernemingscategorieën en voor alle bedrijfstakken. Die verslechtering kwam ook tot uiting in de evaluatie van de verschillende toekenningscriteria (rentevoeten, andere kosten, kredietvolume en gevraagde waarborgen). Wat het eurogebied betreft, zette het bancaire krediet de in de eerste negen maanden van het jaar opgetekende stijging in een trager tempo voort, met een groei van 1,2 %. Bovendien maakten de banken uit het eurogebied gewag van een verstrakking van hun voorwaarden voor bedrijfskredieten tijdens het vierde kwartaal van 2011. Verloop van het krediet aan de vennootschappen gedurende het vierde kwartaal van 2011 KredietvolumeDe verstrekking van kredieten door de ingezeten banken aan de ondernemingen in België nam in het vierde kwartaal van 2011 verder toe, zij het minder krachtig dan in het voorgaande kwartaal. Na correctie voor het effect van de wisselkoersschommelingen, beliep de groei van de kredietverlening op jaarbasis 2,9%, tegen 3,6 % in het derde kwartaal.
De nettokredietstromen waren tijdens het vierde kwartaal van 2011 positief: na seizoenzuivering kwam de toekenning van nieuwe kredieten met € 1,3 miljard boven de terugbetalingen uit. Een uitsplitsing naar looptijd toont aan dat zowel de kortlopende als de langlopende kredieten relatief gematigd zijn blijven groeien. In het vierde kwartaal van 2011 bedroeg de twaalfmaands groeivoet van kredieten met een looptijd van minder dan 1 jaar 3,4 % (tegen 4,7 % tijdens het voorgaande kwartaal), terwijl die groeivoet voor de langlopende kredieten uitkwam op 2,7 % (tegen 3 % in het derde kwartaal van 2011).
In het eurogebied is de kredietverlening in het vierde kwartaal van 2011 eveneens positief gebleven, hoewel de groei op jaarbasis lager lag dan die welke in België werd opgetekend. In december bedroeg de groei op jaarbasis 1,2 %, terwijl hij aan het einde van het voorgaande kwartaal nog 2,2 % liet optekenen. Het gemiddelde voor het eurogebied verhult echter een zeer grote heterogeniteit, aangezien in sommige landen, zoals in Ierland en Spanje, een belangrijke correctie werd waargenomen na een over het algemeen krachtige groei van het krediet gedurende het laatste decennium.
De Belgische ondernemingen kunnen tevens een beroep doen op buitenlandse banken(1) om zich te financieren. Aan de hand van de financiële rekeningen die door de Bank worden opgesteld, onder meer op basis van de betalingsbalansstatistieken, kunnen de kredietstromen afkomstig van niet ingezeten banken in kaart worden gebracht. Gedurende het derde kwartaal van 2011 is het uitstaande bedrag van de door de banken van het eurogebied verstrekte kredieten met € 4,8 miljard verminderd, terwijl dat van de door de overige buitenlandse banken verstrekte kredieten afnam met € 0,8 miljard. Uitgedrukt in jaar-op-jaar veranderingen kromp het uitstaande bedrag van de door buitenlandse banken verstrekte kredieten tegenover dat van twaalf maanden eerder, terwijl dat van de kredietverlening door ingezeten banken nog toenam. (1) Het begrip buitenlandse (of niet-ingezeten) bank berust op het territorialiteitsbeginsel. De dochterondernemingen en bijbanken van buitenlandse banken die in België een stabiele vestiging bezitten, zijn in het begrip ingezeten bank vervat. De kredietverlening door buitenlandse banken bestaat dus enkel uit de kredietverstrekking door in het buitenland gevestigde instellingen. Deze gegevens komen met een grotere vertraging beschikbaar dan die betreffende de kredietverlening door Belgische banken: de meest recente gegevens zijn die voor het derde kwartaal van 2011.
Aan de hand van de statistieken van de Kredietcentrale, die zowel de toegestane als de opgenomen kredieten bij ingezeten banken omvatten, kan men het verloop van het krediet analyseren volgens de grootte van de kredietnemende ondernemingen. In het vierde kwartaal van 2011 namen zowel de toegestane kredieten als de werkelijk door de ondernemingen opgenomen kredieten toe voor de grote ondernemingen, terwijl ze afnamen voor de kleine. Wat de middelgrote ondernemingen betreft, werd een vermeerdering van de opgenomen kredieten in combinatie met een stabilisatie van de toegestane kredieten opgetekend.
De aanwendingsgraad van de kredieten, die de intensiteit weergeeft waarmee de ondernemingen van hun kredietlijnen gebruik maken, liep tijdens de financiële crisis op en dit voor elke ondernemingsklasse. Hieruit blijkt dat de ondernemingen maximaal gebruik wilden maken van hun bestaande kredietmogelijkheden, terwijl nieuwe leningen vaak moeilijker te verkrijgen waren. In het vierde kwartaal van 2011 is de aanwendingsgraad van de middelgrote en grote ondernemingen gestegen (met respectievelijk 4 en 0,8 procentpunt). De middelgrote ondernemingen lieten een status-quo optekenen ten opzichte van het voorgaande kwartaal. Aan het einde van het vierde kwartaal van 2011 beliep de aanwendingsgraad 86,7 % voor de kleine ondernemingen, 69,2 % voor de middelgrote en 60,3% voor de grote ondernemingen. De aanwendingsgraad is dus zoals gewoonlijk omgekeerd evenredig met de bedrijfsgrootte. Een mogelijke verklaring voor die bevinding is dat er geen of nagenoeg geen alternatieve financieringswijzen bestaan voor kleine ondernemingen, maar ze kan ook wijzen op een negatieve correlatie tussen de omvang van het kredietnemende bedrijf en de beoordeling van het risico door de kredietinstellingen.
De aanwendingsgraad varieert aanzienlijk volgens de waartoe de ondernemingen behoren. Zo beschikken de ondernemingen in de verwerkende nijverheid over de grootste marge inzake “ongebruikt” krediet, zoals blijkt uit een structureel lagere aanwendingsgraad. Daarentegen benutten ondernemingen die actief zijn in de horeca of de vastgoedsector – zeer vaak kmo’s – doorgaans een groter deel van de hun ter beschikking staande kredietlijnen. Een restrictief kredietbeleid kan bijgevolg erg schadelijk zijn voor bedrijven in die sectoren. Behalve in de bouwnijverheid bereikte de aanwendingsgraad van de kredieten in alle bedrijfstakken historisch hoge niveaus. Vergeleken met het derde kwartaal van 2011, steeg hij licht in de handel (+0,7 procentpunt) en de horeca (eveneens +0,7 procentpunt), terwijl hij terugliep in de verwerkende nijverheid (-1,3 procentpunt), alsook op meer gematigde wijze voor de diensten in verband met vastgoed en in de bouwnijverheid ( 0,4 procentpunt in elk van die sectoren).
Rentevoeten en andere kredietvoorwaardenDe rentevoeten die de Belgische banken en de banken van het eurogebied op de nieuwe bedrijfskredieten toepassen, zijn een van de voornaamste indicatoren van de kredietkosten die de ondernemingen worden aangerekend. Ze worden verzameld via de MIR-enquête (zie http:/www.mfiir.be). Op de geldmarkt daalde de driemaands Euribor van 1,55 % aan het einde van het derde kwartaal van 2011 tot 1,36 % aan het einde van het vierde kwartaal. De leidinggevende rente van de ECB daalde tweemaal met 25 basispunten in de loop van vierde kwartaal, namelijk op 3 november en op 8 december. Op de kapitaalmarkten zijn de rentetarieven gestegen : het rendement van de Belgische overheidsobligaties op vijf jaar vermeerderde van 3 % eind september 2011 tot 3,22 % eind december 2011; op 25 november werd een piek van 5,54 % bereikt wegens de overheidsschuldencrisis in het eurogebied en de politieke spanningen in verband met de regeringsvorming.
In België waren de rentetarieven van de bankkredieten aan ondernemingen op korte en op lange termijn gedurende het vierde kwartaal van 2011 neerwaarts gericht. De tarieven op kortetermijnkredieten met een waarde van minder of meer dan € 1 miljoen namen met respectievelijk 13 en 10 basispunten af tot 2,87% voor de kleinere bedragen en 2,24 % voor de grootste bedragen. De kosten voor kredieten op middellange termijn (kredieten met een waarde van minder dan € 1 miljoen en een rentevaste periode van één tot vijf jaar) daalden met 3 basispunten (tot 3,14 %), terwijl die op lange termijn (kredieten met een waarde van minder dan € 1 miljoen en een rentevaste periode van ten minste vijf jaar) de grootste daling lieten optekenen ( 22 basispunten, tot 4,01 %). In het eurogebied was een verschillend verloop merkbaar: de banktarieven voor kortlopende leningen met een waarde van minder dan € 1 miljoen stegen ten opzichte van het voorgaande kwartaal met 29 basispunten tot 4,47 %, terwijl de tarieven op kredieten met een waarde van meer dan € 1 miljoen en een variabele rente op korte termijn met 23 basispunten opliepen (tot 3,15 %). De kredieten met een waarde van minder dan € 1 miljoen en een rentevaste periode van meer dan vijf jaar zijn relatief stabiel gebleven, aangezien de tarieven met 2 basispunten daalden (tot 4,17 %). Daardoor zijn de kredieten voortaan minder duur in België: die met een looptijd van ten hoogste 1 jaar zijn in België respectievelijk 160 en 91 basispunten goedkoper voor kredieten van minder of meer dan € 1 miljoen, terwijl de leningen met een vaste rente en een looptijd van meer dan 5 jaar voor het eerst 16 basispunten goedkoper zijn in vergelijking met het gemiddelde van het eurogebied. De enquête van het Eurosysteem naar de bancaire kredietverlening (zie http://www.nbb.be/doc/DQ/BLS/nl/BLS_home.htm), verschaft kwalitatieve informatie over het verloop van de toekenningsvoorwaarden, de vraag naar bankkredieten en de verklarende factoren die aan deze ontwikkelingen ten grondslag liggen. In het vierde kwartaal van 2011 rapporteerden de vier Belgische grootbanken dat ze hun kredietvoorwaarden voor ondernemingen voor het elfde kwartaal op rij grosso modo onveranderd hadden gelaten, na de in 2008 en begin 2009 opgetekende verkrappingen. Daarentegen maakten de banken van het eurogebied, voor dezelfde periode, opnieuw gewag van een aanzienlijke verstrakking van de toekenningscriteria voor nieuwe kredieten. Bovendien verwachten ze dat die tendens in het eerste kwartaal van 2012 zal aanhouden, terwijl de krediettoekenningsvoorwaarden volgens de Belgische banken tijdens die periode ongewijzigd zouden moeten blijven.
De banken beschikken over verschillende instrumenten om het aanbod van kredieten aan ondernemingen aan te passen. Zo kunnen zij hun aanbod verstrengen door de marges te verhogen, maar eveneens door de niet-monetaire criteria te verstrakken, meer in het bijzonder de diverse kosten eigen aan de kredietopname, de waarborgvereisten of nog de andere contractuele clausules. Tijdens het vierde kwartaal van 2011 maakten de Belgische banken gewag van een status-quo voor alle niet-monetaire voorwaarden. De marges op de standaardkredieten en op de meest risicovolle kredieten zijn eveneens onveranderd gebleven. Wat de determinanten van deze ontwikkelingen betreft, stelt men vast dat de inschatting, door de banken, van de aan het conjunctuurklimaat gerelateerde risico's de banken ertoe zou moeten aanzetten de kredietvoorwaarden licht te verscherpen, zonder dat die verkrapping effectief bewaarheid wordt, terwijl het verloop van de financieringskosten en de balansbeperkingen van de banken, alsook de concurrentiedruk geen enkele invloed zouden uitoefenen. Voor het eerste kwartaal van 2012 verwachten de banken in België opnieuw een stabilisering van hun algemene kredietvoorwaarden.
Net als in het voorgaande kwartaal, meldden de Belgische banken dat de vraag naar kredieten door de ondernemingen in het vierde kwartaal van 2011 stabiel bleef. Het herstel van de fusies en overnames zou de vraag matig hebben doen stijgen, terwijl het voorraadbeheer en het bedrijfskapitaal in omgekeerde richting zouden hebben gespeeld. Voor het eerste kwartaal van 2012 verwachten de Belgische banken een nieuwe stabilisering van de vraag naar kredieten door de ondernemingen. Binnen het eurogebied merkten de banken een matige daling van de vraag naar kredieten in het vierde kwartaal van 2011. Ze verwachten een meer uitgesproken afname van die vraag in het begin van 2012.
Uit de in januari 2012 door de Bank uitgevoerde enquête bij de bedrijfsleiders blijkt dat de algemene toegangsvoorwaarden voor bankkrediet verslechterd zijn. Het percentage vennootschappen uit de verwerkende nijverheid, de bouw en de diensten aan ondernemingen die de toegangsvoorwaarden voor nieuwe financieringen ongunstig achtten, bedroeg 27 % in het vierde kwartaal van 2011. Het aandeel van de ondernemingen die de voorwaarden als gunstig beschouwt, beliep dan weer 12 %. Al met al kwam het nettosaldo van de antwoorden van de ondernemingen op -15 % uit (tegen -9 % in het voorgaande kwartaal).
Die ongunstige perceptie van de toegangsvoorwaarden voor bankkrediet weerspiegelt de verslechtering van de kredietvoorwaarden, die blijkt uit het door de bedrijfsleiders meegedeelde verloop van de toekenningscriteria tijdens de drie maanden die aan de enquête voorafgaan. De bedrijfsleiders maakten gewag van een verdere verslechtering van de voorwaarden in verband met de rentetarieven in het vierde kwartaal van 2011. De meeste bedrijfsleiders zijn bovendien van mening dat de overige kredietverleningsvoorwaarden (andere kosten, kredietvolume en gevraagde waarborgen) eveneens zijn verslechterd.
Wat de verschillen naar categorie van bedrijfsgrootte betreft, gaven alle ondernemingscategorieën een al met al ongunstige beoordeling van de algemene financieringsvoorwaarden in het vierde kwartaal van 2011: het nettosaldo van de antwoorden van de kleine en middelgrote ondernemingen ondernemingen vertoonde de meest negatieve waarden (respectievelijk -17 % en -16 %), terwijl dat van de grote ondernemingen (tussen 250 en 499 werknemers) -11 % beliep. In de zeer grote ondernemingen lag het saldo meer in de buurt van het evenwicht ( -1 %).
Wat de resultaten naar bedrijfstak betreft, meldden alle bedrijfstakken ongunstige algemene kredietverleningsvoorwaarden in het vierde kwartaal van 2011 : de beoordeling was minder negatief voor de bouwnijverheid (-10%) dan voor de verwerkende nijverheid (-14 %) en de diensten aan ondernemingen (-20 %). |
|||||||||||||||||||||||||||||||













