Trimestriële bijwerking van 25 februari 2013

Maandelijkse Flash (13 mei 2013), Printer versie Trimestriële bijwerking (PDF).

Executive summary

In België werd het vierde kwartaal van 2012 gekenmerkt door een lichte stijging van de verstrekking van bedrijfskredieten door ingezeten banken. De groei op jaarbasis van de bankkredieten beliep 1,8 %, tegen 1,3 % in het derde kwartaal. Deze cijfers blijven echter heel wat lager dan de gemiddelde twaalfmaands groei van de bankkredieten die in 2011 werd opgetekend (4,2 %). Tot slot is het volume van de langlopende kredieten blijven groeien, terwijl dat van de kortlopende kredieten opnieuw fors is geslonken.

De aanhoudende daling van de rentetarieven op de geldmarkt heeft aanleiding gegeven tot een afname van zowel de korte- als de langetermijnrente op nieuwe bankkredieten ten opzichte van het voorgaande kwartaal.

Na twee opeenvolgende verkrappingen gaven de Belgische banken aan dat ze de niet rentegebonden kredietvoorwaarden in het vierde kwartaal van 2012 grotendeels onveranderd hebben gelaten. Gedurende het eerste kwartaal van 2013 zullen ze naar verwachting hun kredietvoorwaarden handhaven. Vanuit het oogpunt van de ondernemingen werden de algemene kredietvoorwaarden als veeleer ongunstig beschouwd, behalve voor de rentevoorwaarden. De voorwaarden met betrekking tot het bedrag van de kredieten, de gevraagde waarborgen en de bijkomende kosten zijn, volgens de ondernemingen, al met al nog licht verslechterd ten opzichte van het voorgaande kwartaal.

In het eurogebied bleef het groeitempo van het bancaire krediet in het vierde kwartaal van het jaar negatief; in december beliep de groei op jaarbasis -1,3 % (tegen -1,2 % eind september). Bovendien maakten de banken er gewag van een geringe verscherping van hun voorwaarden voor bedrijfskredieten tijdens deze periode. Ze verwachten dat deze tendens in de nabije toekomst zal aanhouden.

Verloop van het krediet aan de vennootschappen gedurende het vierde kwartaal van 2012

Kredietvolume

De verstrekking van kredieten door de ingezeten banken aan de ondernemingen in België nam in het vierde kwartaal van 2012 verder toe, in een ietwat sneller tempo dan tijdens het voorgaande kwartaal. Na correctie voor het effect van de wisselkoersschommelingen, beliep de groei van de kredietverlening op jaarbasis 1,8 %, tegen 1,3 % in het derde kwartaal van het jaar. Ondanks deze lichte stijging bleef het groeitempo van de verstrekking van bankkredieten duidelijk onder het in 2011 opgetekende gemiddelde van 4,2 %. Dit verloop van de kredietverlening strookt met de ontwikkelingen van de economische bedrijvigheid in 2012. Specifiek voor het vierde kwartaal van 2012 waren de nettokredietstromen positief: na seizoenzuivering kwam de toekenning van nieuwe kredieten € 1,5 miljard hoger uit dan de terugbetalingen.

Een uitsplitsing naar looptijd toont aan dat de groei van de kredieten nog altijd werd ondersteund door de langlopende kredieten (met een looptijd van meer dan een jaar) waarvan het jaar-op-jaar groeitempo hoog is gebleven, terwijl het volume van de kortlopende kredieten (minder dan een jaar) ten opzichte van december 2011 opnieuw is gekrompen. In het vierde kwartaal van 2012 bedroeg het twaalfmaands groeitempo van kredieten met een looptijd van minder dan een jaar 5,0 % (tegen -5,3 % tijdens het voorgaande kwartaal), terwijl dat van de langlopende kredieten op 4,9 % uitkwam (tegen 4,4 % in het derde kwartaal van het jaar).



In het eurogebied, daarentegen, bleef de kredietverlening in het vierde kwartaal van 2012 een dalend verloop te zien geven. De groei op jaarbasis van de kredieten bleef er dus onder die in België. In december bedroeg de groei op jaarbasis -1,3 %, of dichtbij het groeipeil aan het einde van het voorgaande kwartaal, dat -1,2 % beliep. Het gemiddelde voor het eurogebied verhult echter een grote heterogeniteit tussen de landen, alsook een gefragmenteerd verloop van de kredietmarkten: terwijl in sommige landen de groei van het bankkrediet aan de bedrijven nog altijd positief is (meer bepaald in Nederland, Duitsland en Frankrijk), zij het in een trager tempo, is de groei in andere landen negatief gebleven. Dat is het geval in Spanje, Ierland en Italië.

De Belgische ondernemingen kunnen, om zich te financieren, tevens een beroep doen op buitenlandse banken(1). Aan de hand van de financiële rekeningen die door de Bank worden opgesteld, onder meer op basis van de betalingsbalansstatistieken(2), kunnen de kredietstromen afkomstig van niet ingezeten banken in kaart worden gebracht. Gedurende het derde kwartaal van 2012 is het uitstaande bedrag van de door buitenlandse banken verstrekte kredieten gedaald ten opzichte van het einde van het voorgaande kwartaal, namelijk met € 0,9 miljard voor de banken van het eurogebied en met € 0,1 miljard voor de overige buitenlandse banken. Ten opzichte van twaalf maanden eerder bleef het uitstaande bedrag van de door buitenlandse banken verstrekte kredieten echter grotendeels stabiel : jaar-op-jaar vertoonde het kredietaanbod van de banken uit het eurogebied een daling, die bijna volledig werd gecompenseerd door die van de kredietverlening door de overige buitenlandse banken. De totale groei op jaarbasis, waarin alle aan de Belgische ondernemingen toegekende kredieten zijn meegerekend, werd in het derde kwartaal van 2012 opnieuw licht positief (1,2 %) aangezien de lagere kredietverstrekking door de banken van het eurogebied werd meer dan gecompenseerd door het aanbod van de Belgische banken en de overige buitenlandse banken.

(1) Het begrip buitenlandse (of niet-ingezeten) bank berust op het territorialiteitsbeginsel. De dochterondernemingen en bijbanken van buitenlandse banken die in België een stabiele vestiging bezitten, zijn in het begrip ingezeten bank vervat. De kredietverlening door buitenlandse banken bestaat dus enkel uit de kredietverstrekking door in het buitenland gevestigde instellingen.

(2) Deze gegevens zijn later beschikbaar dan die betreffende de door de ingezeten banken verleende kredieten: ze zijn momenteel beschikbaar tot het derde kwartaal van 2012.

De statistieken van de Kredietcentrale, die zowel de toegestane als de opgenomen kredieten bij ingezeten banken omvatten en toelaten om het verloop van het krediet volgens de grootte van de kredietnemende ondernemingen te analyseren zijn niet beschikbaar voor de huidige publicatie omwille van aanpassingen in de informaticatoepassing en van een aantal methodologische wijzigingen (met name het in aanmerking nemen van alle bankkredieten en niet langer alleen maar die boven € 25 000) in de Centrale voor kredieten aan ondernemingen. Deze methodologische wijzigingen zullen aanleiding geven tot een reeksbreuk in de gegevens betreffende de uitstaande bedragen en de aanwendingsgraad van de kredieten3; zowel voor de geaggregeerde cijfers als voor de opdelingen volgens de grootte van de ondernemingen of het gewest waarin ze gevestigd zijn. De nieuwe reeksen zullen evenwel vollediger en van betere kwaliteit zijn; ze zouden tevens meer coherent moeten zijn met de gegevens afkomstig van andere bronnen (bv. de financiële rekeningen).

(3) Verhouding tussen toegestane en opgenomen kredieten.

In afwachting van de publicatie van de nieuwe reeksen, worden de laatste beschikbare cijfers met betrekking tot de aanwendingsgraad volgens ondernemingsgrootte, volgens bedrijfstak en volgens gewest (die van maart 2012) pro memorie meegedeeld.

Aan het einde van het eerste kwartaal van 2012 beliep de aanwendingsgraad van de kredieten 87 % voor de kleine ondernemingen, 68,6 % voor de middelgrote en 60,9 % voor de grote ondernemingen. Algemeen beschouwd is de aanwendingsgraad omgekeerd evenredig met de bedrijfsgrootte. Een mogelijke verklaring voor deze vaststelling is dat er geen of nagenoeg geen alternatieve financieringswijzen bestaan voor kleine ondernemingen, maar ze kan ook wijzen op een negatieve correlatie tussen de omvang van het kredietnemende bedrijf en de beoordeling van het risico door de kredietinstellingen.

De aanwendingsgraad varieert aanzienlijk volgens de bedrijfstak waartoe de ondernemingen behoren. Zo beschikken de ondernemingen in de verwerkende nijverheid over de grootste marge inzake “ongebruikt” krediet, zoals blijkt uit een structureel lagere aanwendingsgraad. Daarentegen benutten ondernemingen die actief zijn in de horeca of de vastgoedsector – zeer vaak kmo’s – doorgaans een groter deel van de hun ter beschikking staande kredietlijnen.

In het eerste kwartaal van 2012 beliep de aanwendingsgraad 89,9 % in de horeca, 85,2 % in de vastgoedsector, 73,1 % in de handel, 62,4 % in de bouwnijverheid en, ten slotte, 57,7 % in de verwerkende nijverheid.

Uit de regionale gegevens van de Centrale voor kredieten aan ondernemingen blijkt dat de aanwendingsgraden bij de kleine ondernemingen vrij gelijkwaardig zijn in de drie gewesten van het land. Bij de grote ondernemingen zijn de verschillen daarentegen structureel meer uitgesproken: deze bedrijven trekken meer op hun kredietlijnen in Wallonië (aanwendingsgraad van kredieten van 71 % in het eerste kwartaal van 2012) en in mindere mate in Vlaanderen (63,8 %) in vergelijking met de huidige situatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (50,8 %). Dezelfde conclusie kan worden getrokken bij de middelgrote ondernemingen. Deze cijfers zouden kunnen wijzen op een delicatere situatie ten aanzien van het bankkrediet in Wallonië en Vlaanderen (minder makkelijk verkrijgen van kredietlijnen, grotere behoedzaamheid van de banken) in vergelijking met Brussel.

Rentevoeten en andere kredietvoorwaarden

De rentevoeten die de Belgische banken en de banken van het eurogebied op de nieuwe bedrijfskredieten toepassen, behoren tot de voornaamste indicatoren van de kredietkosten die de ondernemingen worden aangerekend. Ze worden verzameld via de MIR-enquête (zie http:/www.mfiir.be).

Op de geldmarkt is de driemaands Euribor gedaald van 0,22 % aan het einde van het derde kwartaal van 2012 tot 0,19 % aan het einde van het jaar. De leidinggevende rente van de ECB werd gedurende die periode gehandhaafd op 0,75 %. Op de kapitaalmarkten liepen de rentetarieven sterk terug: het rendement van de Belgische overheidsobligaties op vijf jaar nam af van 1,29 % eind september 2012 tot 0,83 % eind december.

In België zijn de rentetarieven die worden toegepast op de nieuwe bankkredieten gedurende het vierde kwartaal van 2012 over het geheel genomen gedaald. Ten opzichte van het voorgaande kwartaal liepen de rentetarieven op kortlopende leningen met 18 en 9 basispunten terug, naargelang hun waarde respectievelijk minder of meer dan € 1 miljoen bedroeg. In december beliepen ze 2,10 % voor de bedragen van minder dan € 1 miljoen en 1,67 % voor de grootste bedragen. De kosten voor kredieten op middellange termijn (kredieten met een rentevaste periode van 1 tot 5 jaar en een waarde van minder dan € 1 miljoen) en op lange termijn (met een rentevaste periode van meer dan 5 jaar en een waarde van minder dan € 1 miljoen) daalden eveneens, met respectievelijk 13 en 4 basispunten. In december beliep de rente op kredieten met een middellange looptijd 3,10 % en die op langlopende kredieten 3,66 %.

In het eurogebied daalden de kosten van de kredieten ten opzichte van het voorgaande kwartaal, met uitzondering van die voor de kortlopende leningen met een waarde van meer dan € 1 miljoen, die met 7 basispunten toenam tot 2,28 %. Het rentetarief van de kortlopende leningen met een gering bedrag (minder dan € 1 miljoen) daalde met 8 basispunten en kwam aldus uit op 3,79 %. De tarieven van de banken voor de kredieten met een rentevaste periode tussen 1 en 5 jaar en een waarde van minder dan € 1 miljoen zijn, van hun kant, met 18 basispunten gezakt (tot 3,92 %) en die op de kredieten met een rentevaste periode van meer dan 5 jaar en een waarde van minder dan € 1 miljoen met 23 basispunten (tot 3,41 %).

Door deze ontwikkelingen bleven de kortlopende kredieten (met een looptijd van ten hoogste 1 jaar) in België minder duur dan het gemiddelde van het eurogebied: in december 2012 waren de kredieten met een waarde van minder of meer dan € 1 miljoen respectievelijk 169 en 61 basispunten goedkoper. Er zij opgemerkt dat de tarieven op kortlopende kredieten met lagere waarden in het eurogebied gemiddeld betrekkelijk hoog zijn onder invloed van bijzonder hoge tarieven die voor dat type van kredieten gelden in Spanje, Italië, Portugal, Griekenland en Ierland. De langlopende leningen (met een vaste rente en een looptijd van meer dan 5 jaar) bleven daarentegen 25 basispunten duurder in België dan gemiddeld in het eurogebied.

De enquête van het Eurosysteem naar de bancaire kredietverlening (zie http://www.nbb.be/doc/DQ/BLS/nl/BLS_home.htm), verschaft kwalitatieve informatie over het verloop van de toekenningsvoorwaarden, de vraag naar bankkredieten en de verklarende factoren die aan deze ontwikkelingen ten grondslag liggen.

In het vierde kwartaal van 2012 rapporteerden de vier Belgische grootbanken die bij deze enquête werden bevraagd, dat ze hun kredietvoorwaarden voor ondernemingen al met al onveranderd hadden gelaten, nadat ze die voorwaarden tweemaal hadden verstrakt in het tweede en derde kwartaal van het jaar. De naar bedrijfsgrootte opgesplitste antwoorden wijzen er evenwel op dat de kredietvoorwaarden voor de kmo’s opnieuw licht verscherpt zijn. Tijdens dezelfde periode maakten de banken van het eurogebied gewag van een lichte aanscherping van de toekenningscriteria ten opzichte van het voorgaande kwartaal. In het eurogebied werden ze in vergelijkbare mate aangescherpt voor de grote ondernemingen en de kmo’s. Het gemiddelde voor het eurogebied verhult echter enige heterogeniteit tussen de lidstaten. In alle grote landen hebben de banken hun kredietvoorwaarden nog licht verstrakt, terwijl de toekenningscriteria fors werden verstrengd in sommige kleine landen (Cyprus, Slovenië, Oostenrijk, Finland). In andere staten, daarentegen, bleven de voorwaarden, net als in België, onveranderd (onder meer in Ierland en Portugal).

Voor het eerste kwartaal van 2013 verwachten de Belgische banken dat ze hun toekenningsvoorwaarden al met al zullen handhaven. De criteria voor de kredietverlening aan kmo’s zouden mogelijks opnieuw licht worden verstrengd. In het eurogebied gaan de banken opnieuw uit van een lichte verstrakking van de kredietverleningsvoorwaarden. Deze zou de grote ondernemingen en de kmo’s in gelijke mate treffen.

De banken beschikken over verschillende instrumenten om het aanbod van kredieten aan ondernemingen aan te passen. Zo kunnen zij hun aanbod verstrengen door de marges te verhogen, maar eveneens door de niet-monetaire criteria te verstrakken, meer in het bijzonder de diverse kosten eigen aan de kredietopname, de waarborgvereisten of nog de andere contractuele clausules.

In het vierde kwartaal van 2012 gaven de Belgische banken echter te kennen dat ze, ondanks onveranderde algemene voorwaarden, hun marges op zowel de standaardkredieten als de meer risicovolle kredieten hadden verhoogd, zij het minder uitgesproken dan in het voorgaande kwartaal. Ook de niet-monetaire voorwaarden werden verscherpt: de banken verklaarden dat ze vooral hun eisen inzake looptijd van het krediet hebben verstrengd, maar dat ze ook voorzichtiger zijn geworden met betrekking tot de clausules inzake de kredietcontracten en de bijkomende kosten.

Wat de determinanten van deze ontwikkelingen betreft, stelt men vast dat de inschatting, door de banken, van de risico's, en dan overwegend die welke gerelateerd zijn aan het sector- of bedrijfsspecifieke conjunctuurklimaat, de banken ertoe hebben aangezet hun kredietvoorwaarden te verscherpen. Daarentegen zou het verloop van de financieringskosten en de balansbeperkingen, in het bijzonder het vermogen van de banken om toegang te krijgen tot marktfinanciering, hebben bijgedragen, zij het in mindere mate, tot de versoepeling van hun toekenningscriteria. Ten slotte zou de concurrentiedruk geen enkele invloed hebben uitgeoefend op het kredietaanbod.

De Belgische banken hebben gewag gemaakt van een algemene daling van de vraag naar kredieten door de ondernemingen in het vierde kwartaal van 2012. De ondervraagde kredietinstellingen meldden een afname van de vraag vanwege de grote bedrijven, alsook van die, zij het in mindere mate, vanwege de kmo's. De vermindering van de financieringsbehoeften zou echter voornamelijk toe te schrijven zijn aan de teruglopende investeringen; een afname van de fusies, overnames en herstructureringen, en het beroep van de bedrijven op andere financieringsbronnen zouden daar eveneens hebben toe bijgedragen. Het schuldherschikkingsmotief zou van zijn kant in tegengestelde zin hebben gewerkt doordat het de kredietvraag hielp toenemen. Voor het eerste kwartaal van 2013 verwachten de Belgische banken een licht herstel van de vraag naar leningen van de ondernemingen.

De banken uit het eurogebied meldden eveneens een verzwakking van de kredietvraag in het vierde kwartaal van 2012, die iets sterker was voor de grote ondernemingen. Die banken schrijven deze verzwakking, net als de Belgische banken, voornamelijk toe aan de afname van de investeringen. Ook het beroep dat op andere vormen van financiering is gedaan en de afgenomen fusies en overnames hebben daar een rol in gespeeld. De kredietinstellingen uit het eurogebied verwachten voor het eerste kwartaal van 2013 opnieuw een lichte daling van de vraag.

Uit de in januari 2013 door de Bank uitgevoerde enquête blijkt dat de bedrijfsleiders op dat ogenblik een ongunstig beeld hadden van de algemene toegangsvoorwaarden voor bankkrediet. Het percentage vennootschappen uit de verwerkende nijverheid, de bouwnijverheid en de diensten aan ondernemingen die de toegangsvoorwaarden voor nieuwe financieringen ongunstig achtten, bedroeg 26 %. Het aandeel van de ondernemingen die de voorwaarden als gunstig beschouwde, beliep dan weer 16 %. Al met al kwam het nettosaldo van de antwoorden van de bedrijfsleiders op -10 % uit (tegen -2 % in het voorgaande kwartaal).

Deze situatie vloeit voort uit de minder gunstige beoordeling van de ontwikkeling van de toekenningsvoorwaarden voor bankkrediet tijdens de drie maanden vóór de enquête, zoals die blijkt uit de antwoorden van de bedrijfsleiders. Hoewel deze tijdens het vierde kwartaal van 2012 voor de vierde opeenvolgende keer gewag maakten van een verbetering van de rentevoorwaarden die evenwel minder krachtig was dan in het voorgaande kwartaal vonden de meeste onder hen dat andere kredietverleningsvoorwaarden opnieuw waren verslechterd. Ze oordeelden met name bijzonder negatief over de voorwaarden die verbonden zijn aan de gevraagde waarborgen en aan het bedrag van de kredieten.

De resultaten naar bedrijfstak wijzen op een verslechtering van de algemene beoordeling van de kredietvoorwaarden in alle sectoren in januari 2013. Die verslechtering was echter veel sterker in de diensten aan ondernemingen (waar het saldo van de antwoorden -18 % bedroeg), dan in de bouwnijverheid en de industrie (-7 % in beide bedrijfstakken). Specifiek werd tijdens het vierde kwartaal van 2012 een verbetering op het vlak van de rentevoeten gemeld in de diensten aan ondernemingen en de industrie, terwijl de bedrijfsleiders van de bouwnijverheid een lichte verslechtering van dat criterium merkten. Hoewel de voorwaarden inzake de gevraagde waarborgen, het kredietvolume en de bijkomende kosten ten slotte slechter werden geacht tijdens het vierde kwartaal van 2012, gaven de verschillende bedrijfstakken uiteenlopende ontwikkelingen te zien ten opzichte van het voorgaande kwartaal: de verslechtering was, algemeen beschouwd, minder uitgesproken in de bouwnijverheid, terwijl ze sterker was in de diensten aan ondernemingen. In de industrie bleef de situatie relatief stabiel ten opzichte van het derde kwartaal.

Wat de verschillen naar categorie van bedrijfsgrootte betreft, beoordeelden alle categorieën, behalve de zeer grote ondernemingen (500 werknemers en meer), in januari 2013 de algemene kredietvoorwaarden als ongunstig: het nettosaldo van de antwoorden bedroeg -13 % voor de kleine ondernemingen, -6 % voor de middelgrote, -14 % voor de grote en 9 % voor de zeer grote. De ondervraagde zeer grote ondernemingen vonden echter dat zich in het vierde kwartaal een nieuwe verslechtering had voorgedaan voor het kredietvolume en de door de banken gevraagde waarborgen. De kleine ondernemingen maakten ook gewag van een lichte verslechtering van al hun kredietvoorwaarden. Deze laatste bleven daarentegen relatief stabiel volgens de bedrijfsleiders van de middelgrote ondernemingen. Hoewel de beoordeling van de rentevoorwaarden ten slotte positief bleef, ging ze voor alle ondernemingscategorieën niettemin fors achteruit ten opzichte van het voorgaande kwartaal.